Pages

zondag 6 november 2011

Peiling der peilingen: CDA zakt weg

Of u het nu leuk vindt of niet: peilingen spelen een belangrijke rol in het politieke debat. De benarde positie waarin het CDA verkeert wordt versterkt doordat peilingen inzicht geven in de steun voor die partij als er vandaag verkiezingen zouden zijn. Het was dan ook groot nieuws toen Maurice de Hond van Peil.nl deze partij nog maar elf zetels toedichtte. Niet echt leuk voor de christendemocraten, maar misschien ook iets om rekening mee te houden. Meer problematisch is het als verschuivingen van één of twee zetels worden ‘verklaard’ aan de hand van allerlei factoren, terwijl deze net zo goed het gevolg kunnen zijn van onzekerheden in de peiling. In de meest recente peilingen vallen vooral de verschillen tussen de twee grote peilingbureaus Synovate en Peil op.

Onderstaande tabel toont de meest recente peilingen van Synovate (Politieke Barometer) en Peil (Maurice de Hond). Verschillen in het blauw geven aan dat Synovate deze partij meer zetels toedicht, bij verschillen in het rood geeft Maurice de Hond een partij meer zetels. De ‘grote drie’ doen het duidelijk beter bij Synovate: 7 meer voor de PvdA, 3 meer voor CDA en VVD. Bij Peil doen de partijen aan de extremen van het spectrum het beter: SP krijgt van De Hond 6 zetels meer dan bij Synovate, D66 5, en de PVV 2 (dat laatste zou nog net binnen de foutmarge vallen). Dit verschil kan wellicht worden verklaard door de onderzoeksmethode: Peil.nl maakt gebruikt van een panel waarvoor je jezelf kunt aanmelden – dit trekt eerder mensen aan die politiek betrokken en ontevreden zijn.


Figuur 1: Overzicht verschillen laatste peilingen Synovate en Peil

Als we de informatie van de twee peilingbureaus samen nemen, komen we waarschijnlijk tot een meer genuanceerd beeld van de kansen van de partijen. Dit doe ik met behulp van een ‘Pooling the polls’ model van Simon Jackman dat ik eerder ook heb gebruikt bij de voorspelling van de uitslag van de Eerste Kamerverkiezingen. In de gebruikte versie gaat het model er vanuit dat gemiddeld genomen de metingen van de peilingbureaus kloppen. Hoewel deze aanname problematisch is (de steun voor de PVV werd bij de laatste verkiezing onderschat), kunnen we moeilijk anders, omdat we niet weten wat de ‘echte’ uitslag zou zijn. Het is lastig om de precieze uitwerking van het model kort toe te lichten, maar kortweg geeft het model een soort gewogen gemiddelde van de beschikbare peilingen (waarbij oudere peilingen steeds minder zwaar wegen). 

Figuur 2: Peiling der peilingen 4 november 2011 (grote partijen). In de grafiek staan percentages (met foutmarges), de getallen eronder geven de vertaling in zetels (de grijze getallen geven de minimum en maximumverwachting aan met 95% vertrouwen). De sterretjes in de balken geven aan dat er een statistisch significant verschil is tussen de betreffende balk en de meest recente peiling.


De VVD zou het volgens deze ‘Peiling der peilingen’ nu waarschijnlijk iets beter doen dan bij de verkiezingen vorig jaar, maar dit verschil is (net) niet statistisch significant. In de grafiek staan de percentages met de foutenbalk aangegeven; onderaan staan de bijbehorende zetelaantallen. Het model verwacht voor de VVD tussen de 32 en 35 zetels, waarschijnlijk 34. De middelste balk geeft de verwachting aan voor 30 dagen geleden. De electorale positie van de VVD is nauwelijks gewijzigd, want de balken voor deze en vorige maand zijn vrijwel precies even lang. De PvdA staat duidelijk op verlies, van 30 naar 18. Ten opzichte van vorige maand zijn de kansen van de partij ongewijzigd. De PVV staat op winst van 24 naar 27 zetels. Het CDA beleeft een sterke teruggang. In de Kamer heeft ze nu 21 zetels, vorige maand waren dat er volgens de Peiling der peilingen 15 en nu nog 12. Zowel het verschil met de Tweede Kamer als het verschil met vorige maand is significant, zoals de sterretjes in de balken aangeven. De SP staat op winst van 15 zetels nu in de Kamer naar een voorspelde 25. 

Figuur 3: Peiling der peilingen 4 november 2011 (kleine partijen). In de grafiek staan percentages (met foutmarges), de getallen eronder geven de vertaling in zetels (de grijze getallen geven de minimum en maximumverwachting aan met 95% vertrouwen). De sterretjes in de balken geven aan dat er een statistisch significant verschil is tussen de betreffende balk en de meest recente peiling.

Bij de kleinere partijen doet vooral D66 het goed. De partij stijgt van 10 naar ongeveer 17 zetels; stabiel ten opzichte van vorige maand. GroenLinks heeft duidelijk te lijden onder de verschillende kwesties in de partij (Kunduz, Peters) en daalt van 10 naar ongeveer 7 zetels. De ChristenUnie doet het wel iets beter dan in 2010, maar dat vertaalt zich waarschijnlijk nog net niet in zetelwinst. Ook bij de SGP (in percentage iets slechter) en de PvdD (in percentage iets beter) zien we geen wijziging in het aantal verwachte zetels.

Wat opvalt is dat de verschillen ten opzichte van de peiling van vorige maand vaak beperkt en meestal niet statistisch significant zijn. Het gaat immers in beide gevallen om een peiling met onzekerheidsmarges. Zelfs als we alle beschikbare informatie van de twee peilingbureaus combineren moeten we rekening houden met een foutmarge van ongeveer twee zetels voor grote partijen. Deze kleine verschuivingen kunnen net zo goed toevallig zijn als een echte verschuiving in de kiezersvoorkeur. Het is dus beter om naar de effecten op de langere termijn te kijken, want die zijn vaak wel statistisch significant. Dan zien we dat PvdA, CDA en GroenLinks verliezen en dat de PVV, SP en D66 duidelijk winnen. Dat is een veel belangrijker en relevanter gegeven dan de wekelijkse zetelpingpong waar nu vaak naar wordt gekeken.

zaterdag 15 oktober 2011

Stemgedrag PVV: Loyaal met een scherpe rand


In oktober 2010 kondigden VVD, PVV en CDA aan een bijzonder meerderheidskabinet te vormen. VVD en CDA onderschreven een coalitieakkoord. Daarnaast werd een gedoogakkoord gesloten met de PVV – deze partij steunt het kabinetsbeleid op een (groot) aantal terreinen en belooft het niet te laten vallen over maatregelen die in het coalitieakkoord staan omschreven. Dit betekende dat de PVV een nieuwe positie innam in het politieke landschap. Tot de verkiezingen van 2010 had de PVV bewust gekozen voor confrontatie met de gevestigde partijen in haar parlementair gedrag. Ze stelde zich op als een rechtse oppositiepartij, de "rechts buiten" van de Tweede Kamer. Is het gedrag van de PVV veranderd nu de partij gedoogpartner is van een coalitie van CDA en VVD?

De kern van onze uitkomsten is dat de PVV als gedoogpartner twee houdingen combineert: een constructieve houding op onderwerpen die in het gedoogakkoord staan en een kritische, confronterende houding op andere terreinen. Op onderwerpen uit het gedoogakkoord is zij minder actief en stemt zij vaak hetzelfde als CDA en VVD. Dit betreft zowel de sociaaleconomische agenda van het kabinet (volksgezondheid, sociale zaken en financiën) als de agenda van het kabinet wat betreft veiligheid, integratie en immigratie. Echter op die onderwerpen waar de PVV heeft aangeven het niet eens te zijn met het kabinet is de partij actiever en uitgesprokener geworden. De partij stemt dan anders als CDA en VVD, en nog steeds relatief vaak alleen. Ook dient zij op deze onderwerpen meer moties en amendementen in. We beschrijven deze manier van opereren als loyaal (op die onderwerpen die in het gedoogakkoord staan) maar met een scherpe rand (op die onderwerpen die daarbuiten vallen). Deze stijl van opereren waarbij de partij met een been in het regeringsvak staat en met het andere been aan de kant van de anti-establishment oppositie is in andere landen succesvol toegepast door rechts-populistische partijen zoals de Italiaanse Lega Nord en de Deense Volkspartij.



Het onderzoek kijkt naar zes vragen: ten eerste, hoe actief zijn PVV-Kamerleden? De PVV dient in totaal minder voorstellen in. Dit past bij het beeld van een partij die deelneemt aan de regeringsmacht. Deze fracties dienen doorgaans minder voorstellen in. Wel is het zo dat de partij relatief meer (arbeidsintensieve) amendementen indient dan voorheen, wat blijk geeft van een verdere professionalisering van de fractie.

De tweede vraag is op welke onderwerpen PVV-Kamerleden actief zijn. We hebben gekeken naar moties die zijn ingediend in het kader van de begrotingsbehandelingen, welke eenvoudig te classificeren zijn. Van deze moties is het onderwerp buitenlandse zaken het meest populair bij de PVV. Dit is een grote verschuiving ten opzichte van de periode 2006-2010 toen de fractie vooral moties en amendementen indiende over justitie en binnenlandse zaken. Dit is te verklaren vanuit het feit dat de PVV in het gedoogakoord afspraken heeft gemaakt over veiligheid, immigratie en integratie, maar niet over buitenlands beleid Europa.



De derde vraag betreft de samenwerking met de PVV: hoe vaak dient de PVV voorstellen in samen met andere partijen? De PVV dient vooral moties in met coalitiepartners CDA en VVD, en met de SP. De opvallende verschuiving hierbij is dat het CDA en de PVV nauwelijks samen moties indienden vóór 2010.

De vierde vraag gaat over de isolatie van de PVV: hoe vaak stemt de PVV alleen? De PVV stemt nu minder vaak alleen dan in de periode 2006-2010, maar de mate waarin de PVV alleen staat blijft in historisch-vergelijkend perspectief hoog. De PVV staat vooral alleen in stemmingen over buitenlandse zaken (geen onderdeel van het gedoogakkoord), terwijl dit eerder binnenlandse zaken was (wel grotendeels onderdeel van het gedoogakkoord).



In verreweg de meeste stemmingen staat de PVV echter niet alleen. Onze vijfde onderzoeksvraag is hoe vaak andere partijen hetzelfde stemmen als de PVV. De VVD stemt het vaakst hetzelfde als PVV (77%) en doet dit ook vaker dan in de periode 2006-2010 (65%). Het CDA stemt nu in 75% van de gevallen mee met de PVV, aanzienlijk vaker dan voorheen (53%). De mate waarin de PVV hetzelfde stemt als de linkse oppositiepartijen is afgenomen. Opvallend hierbij is dat zeker op de sociaaleconomische onderwerpen, zoals sociale zaken en volksgezondheid, waarop er eerder sprake was van een zekere verwantschap tussen linkse partijen als SP en de PVV, in deze periode minder samen wordt gestemd. Omdat voorstellen op deze punten financiële consequenties hebben, kan de PVV niet hetzelfde stemmen als de SP zonder het gedoogakkoord te breken.

De zesde vraag betreft het succes van de PVV: hoeveel moties en amendementen worden aangenomen? De mate waarin de PVV voorstellen krijgt aangenomen is aanzienlijk toegenomen over tijd. Dit heeft echter nog steeds niet het niveau dat normale coalitiepartijen bereiken. In termen van het totaal aantal aangenomen moties blijft de PVV achter bij andere partijen. Dit is mede te verklaren vanuit het meer extreme gedachtegoed van de partij: ook andere radicale oppositiepartijen zoals de Partij voor de Dieren en GroenLinks weten een beperkt aantal moties aangenomen te krijgen.

Dit is de samenvatting van de rapportage Loyaal met een scherpe rand, die ik samen met Simon Otjes heb geschreven voor Argos, een programma van VPRO radio. De vragen zijn samen met Argos vastgesteld. Het onderzoek is een vervolg op de rapportage "Kiezen voor Confrontatie" die de auteurs in mei 2010 voor Argos schreven.

donderdag 22 september 2011

Stemgedrag Algemene Beschouwingen: Wilders blaft hard, maar bijt niet

De Algemene Beschouwingen 2011 lieten een nogal wisselend beeld van de politiek zien. Het grootste deel van de tweede dag werd er inhoudelijk gedebatteerd, maar Wilders wist weer het beeld te bepalen met zijn compromisloze en op de persoon gerichte taal. Het debat eindigde met de stemming over 21 ingediende moties. Hier kwam de echte Hollandse aap uit de mouw: Wilders blaft wel, maar bijt niet.

De PVV stemde in 19 van de 21 gevallen gewoon mee met de VVD en in 17 van de 21 gevallen met het CDA. Ter vergelijking: de PvdA van 'grote gedoger' Job Cohen stemde slechts tweemaal hetzelfde als de VVD en vier maal als het CDA. Wilders steunde daarbij geen enkel voorstel van de oppositie - zijn fractie stemde alleen voor zijn eigen voorstel over een referendum over de EU-steun aan Griekenland.

Als we het stemgedrag over deze 21 moties in kaart brengen en daar de patronen uit destilleren, zien we een duidelijk links-rechts beeld (dat natuurlijk overeenkomt met de tegenstelling tussen regering en oppositie, aangezien de drie regeringspartijen ter rechterzijde zitten). Meest links staan SP, PvdD, GroenLinks en PvdA. D66 staat net iets ter rechterzijde daarvan, gevolgd door ChristenUnie en SGP. Dan volgen de regeringspartij CDA, gedoogpartner PVV en de regeringsfractie van de VVD. Merk wel op dat de schattingen van deze 'ideaalposities' van partijen behoorlijk onzeker zijn: het gaat hier maar om 21 stemmingen. Desalniettemin komt het beeld overeen met het stemgedrag in het afgelopen parlementaire jaar.

Schattingen stemgedrag met behulp van IDEAL van Simon Jackman.




Het eendimensionale plaatje geeft al een zeer goede voorspelling van het stemgedrag van de partijen, maar er zijn een paar stemmingen die niet in dit beeld passen. Neem bijvoorbeeld het referendum over Griekenland, waar PVV en PvdD samen voor stemden. Als we deze patronen ook in kaart willen brengen is een twee-dimensionaal figuur nodig. Hierin is te zien dat op een klein aantal moties is samengewerkt door PVV, PvdD en SP (zij staan op Dimensie 2 aan dezelfde kant van het spectrum). In dat laatste geval ging het vooral om moties die door de middenpartijen werden gesteund, maar door PVV, VVD, SP en PvdD werden verworpen. 

Het tweedimensionale beeld is in feite hetzelfde als het eendimensionale plaatje: het stemgedrag wordt gedomineerd door links versus rechts, oppositie versus regering (inclusief de gedoogpartner). Het laat zien dat Wilders wel veel stampij maakt in de Kamer, zowel inhoudelijk over een aantal onderwerpen als door zijn woordkeus, maar als puntje bij paaltje komt het kabinetsbeleid gewoon steunt.
Schattingen stemgedrag met behulp van IDEAL van Simon Jackman.
Voor de statistici: Het model is geïdentificeerd door de posities van SP, PVV en CU vast te stellen op basis van hun positie in een klassieke multidimensional scaling op de afstandsmatrix tussen partijen. 

dinsdag 20 september 2011

Woordgebruik Troonrede 2011: de regering spreekt


Een snelle analyse van het woordgebruik van de troonrede leert dat in 2011 opvallend vaak wordt gesproken over de 'regering' en de 'overheid'. Daarnaast zijn woorden als 'economie' en 'economische' dit jaar veel aanwezig. Gezien de centrale boodschap van het kabinet-Rutte dat de financieel-economische problemen moeten worden opgelost door stevig te snijden in de overheidsuitgaven en -regulering, komt dit natuurlijk niet echt als een verrassing.

Wordle van de Troonrede 2011


Vergelijking woordgebruik troonredes 2010 en 2011. Woorden die bovenaan de figuur staan werden in 2011 relatief vaak gebruikt in vergelijking met vorig jaar. 

dinsdag 13 september 2011

SP-onderzoek PVV-beloftes beter in overdrijven dan tellen

De SP houdt gedoogpartij PVV goed in het vizier. Na een eerdere publicatie over gebroken PVV-beloftes verscheen vandaag een nieuw onderzoek van het wetenschappelijk bureau van de SP waarin wordt beweert dat de PVV in de afgelopen tijd nog eens 150 beloftes brak. Het is een goede zaak dat partijen elkaar de maat nemen, juist over elkaars inhoudelijke keuzes en de consistentie daarvan. Het doel van verkiezingsprogramma's is immers de kiezer inzicht te geven in het gedrag van partijen na de verkiezingen. Als partijen stelselmatig afwijken van hun programma krijgt de kiezer iets heel anders dan voorgespiegeld. Toch is het de vraag of de publicatie van de SP niet vooral een publicitaire stok is om de PVV mee te slaan. Want op het onderzoek valt het nodige aan te merken.

Neem een voorbeeld uit hoofdstuk 2 van het SP-onderzoek. Dat begint met: "De PVV zegt een einde te willen maken aan de graai- en bonussencultuur". Daarbij wordt verwezen naar pagina 19 van het PVV-verkiezingsprogramma. Op pagina 21 van dat programma staat inderdaad dat de PVV af wil van de bonussencultuur in de (semi)publieke sector, bij staatsondernemingen en bij financiële instellingen met staatssteun. Dat laatste lijken de onderzoekers even te vergeten als de PVV wordt tegengeworpen tegen een aantal moties over het beloningsbeleid bij financiële instellingen te hebben gestemd. Die moties zien immers niet alleen op financiële instellingen met staatssteun. Dat de PVV tegen dergelijke moties stemt, is dus niet in tegenspraak met hetgeen in het verkiezingsprogramma staat. Overigens stemde de PVV vóór één van de moties waarvan het onderzoek beweert dat de partij tegen stemde (namelijk nummer 31980, 42).

Dit ene voorbeeld illustreert dat het onderzoeken van verkiezingsbeloftes nog niet zo eenvoudig is. Dat is bij degenen die wetenschappelijk onderzoek doen naar verkiezingsbeloftes al lang bekend. Robert Thomson deed in de jaren 1990 promotieonderzoek naar verkiezingsbeloftes in Nederland en besteedde daarbij veel aandacht aan de vraag wat nu precies een belofte is en wanneer je die vervult of verbreekt. Het blijkt nog behoorlijk lastig om daarvoor een objectieve maatstaf te formuleren. Natuurlijk is het in sommige gevallen duidelijk dat een belofte is verbroken, maar veel vaker is er sprake van een grijs gebied. Het lijkt er toch op dat de SP-onderzoekers dit gebied overwegend in het nadeel van de PVV hebben ingekleurd.

Daarbij komt dat het rapport ten onrechte de indruk wekt dat de PVV volledig vrij is qua stemgedrag op het gebied van zorg, onderwijs en sociale zekerheid. Op die punten is de partij van Wilders vaak gebonden aan het gedoogakkoord omdat maatregelen op deze terreinen gevolgen hebben voor de begroting (lees: de bezuinigingen). De SP mag natuurlijk kritiek hebben op het feit dat Wilders die bezuinigingen zo gemakkelijk steunt, maar de PVV is wel gebonden aan het gedoogakkoord op dit punt en niet volledig vrij.

Nog belangrijker is het feit dat het onderzoek vooral een lijst blijkt te zijn van gevallen waarin - volgens de onderzoekers - de PVV afweek van het verkiezingsprogramma. Het gaat dus niet zozeer om 150 gebroken beloftes, maar om 150 gevallen waarin de PVV afweek van het programma. Is dat nou veel? Dat is eigenlijk niet te zeggen op basis van alleen deze informatie. We weten namelijk niet in hoe veel gevallen de PVV wel handelde in lijn met het verkiezingsprogramma. Bij alle niet-genoemde moties en amendementen (bijna 2000 stuks)? In dat geval zou de PVV in ruim 90% van de gevallen in lijn met het verkiezingsprogramma handelen. En hoe vaak weken andere partijen af van hun programma? Dat zou je moeten onderzoeken om de gegevens van de SP goed in perspectief te kunnen plaatsen. Het zou best kunnen zijn dat een zorgvuldige replicatie van het SP onderzoek tot de conclusie komt dat de PVV relatief vaak afwijkt van haar programma, maar die conclusie is op basis van het huidige rapport niet gerechtvaardigd.

Mijn kritiek op het onderzoek is des te scherper, omdat de SP rondom het onderzoek een aura van onpartijdigheid heen legt. Het geldt als een rapport van het wetenschappelijk bureau, waarvan toch iets meer distantie is te verwachten dan van de Tweede Kamerfractie. Daarnaast claimt het rapport zelf dat het hier gaat om harde feiten:
Ons oordeel: Wilders blijft een veelpleger als het gaat over het breken van verkiezingsbeloften. Het blijken geen beginnersfouten, maar bewuste keuzes, om anders te handelen dan eerder was beloofd.Dat is geen mening; dat is een vaststelling.
Natuurlijk is het rapport geen bagger - overdrijven kan Wilders zelf maar al te goed - maar bij een 'wetenschappelijke' publicatie horen conclusies die worden gestaafd door het onderzoek. Mijns inziens scheelt het daaraan bij de SP. Dat is jammer, omdat de feiten die worden gepresenteerd op zich interessant zijn en op zichzelf al behoorlijk wat vragen oproepen in de richting van de PVV. Overdrijving past daarbij niet - zeker voor een wetenschappelijk bureau.

zaterdag 6 augustus 2011

Hebben GroenLinksers (te) veel vertrouwen in andere mensen?

De kwesties rondom GroenLinks-kamerlid Mariko Peters die de afgelopen dagen naar boven zijn gekomen, brengen pijnlijke affaires uit het verleden van de partij terug in het geheugen. Zelfs als er van de beweringen in HP/De Tijd en De Volkskrant geen jota zou kloppen en het hele gedoe niets meer is dan een smeercampagne, is het de vraag of de gesloten, afwijzende reactie van de partij de beste (media)strategie is. 

In dit verband is op Twitter wel verwezen naar de uitspraken van oud-fractieleider Halsema over de integriteit van Kamerleden. Zij stelde dat het voor “het goed functioneren van een Kamerlid”, niet alleen geldt, “of je wel of niet strafrechtelijk veroordeeld bent.” Alleen maar verklaren dat je onschuldig bent, zoals Peters deed, lijkt in dit licht onvoldoende. Echter, Halsema zei één zin later in hetzelfde debat ook iets anders tegen Wilders:
Het siert u dat u opkomt voor uw eigen Kamerleden en dat u zich verweert op het moment dat er geen sprake is van strafrechtelijke veroordeling; daar zult u mij niet over horen.
Daarmee doelt zij op de andere kant van de medaille: wat zou een partij waard zijn als iemand bij de eerste de beste beschuldiging aan de dijk wordt gezet? Er moet toch sprake zijn van een vertrouwensrelatie tussen de partijleden – pas als dat vertrouwen wordt beschaamd doordat bepaalde feiten naar voren komen (en na controle juist blijken te zijn) moet een partij conclusies trekken. De tussentijd tussen de eerste openbaarmakingen en het moment waarop de feiten helder in kaart zijn gebracht, is bijzonder lastig. Dan moet je als partij kiezen voor een lastige, maar heldere lijn: het vertrouwen blijft, maar er moet wel duidelijkheid komen – en daar moet juist ook het betrokken Kamerlid zich voor inspannen.

Desalniettemin lijkt het of juist binnen GroenLinks het ongeloof over de mogelijke kwestie (nu en in het verleden) een dergelijke lijn te veel in de weg heeft gezeten. Er was vaak vooral vertrouwen, zonder een kritische blik. Komt dat wellicht doordat het vertrouwen van GroenLinksers in de medemens hoger is, dan in andere partijen? Van de Kamerleden weten we dit niet, maar er is wel iets te zeggen over de kiezers.

Eén van de vele vragen in het Nationaal Kiezersonderzoek (2006) is: “Vindt u over het algemeen dat de meeste mensen wel te vertrouwen zijn, of vindt u dat men niet voorzichtig genoeg kan zijn in de omgang met mensen?” Mensen worden gedwongen om voor één van deze uitersten te kiezen. Het percentage dat kiest voor de optie ‘vertrouwen’ staat, naar partij uitgesplitst, in de onderstaande grafiek weergegeven.

Figuur: Vertrouwen in mensen onder verschillende groepen kiezers (bron: NKO, 2006)

Het vertrouwen in andere mensen is onder de kiezers van GroenLinks duidelijk het hoogste, meer dan 90% zegt dat mensen in de meeste gevallen wel te vertrouwen zijn. Dit percentage ligt maar rond de 60% voor de andere linkse partijen (PvdA/SP). Het vertrouwen van PVV-kiezers en SGP-ers is zo mogelijk nog lager. De foutbalken geven aan dat het verschil tussen GroenLinks-kiezers en kiezers van andere partijen (behalve D66) statistisch significant is: we kunnen concluderen dat het zeer waarschijnlijk is dat niet alleen in de steekproef, maar onder alle kiezers het vertrouwen van GroenLinksers in andere mensen hoger is dan dat van andere kiezers.

Natuurlijk bewijst dit niet dat GroenLinksers allemaal naïeve gutmenschen zijn die maar niet kunnen beseffen dat ook hun eigen partijgenoten soms een misstap begaan. Maar het verklaart misschien deels waarom dat besef in voorgaande affaires wel erg langzaam naar boven kwam. Uiteindelijk zijn er wel conclusies getrokken (Duyvendak, Varma, Pormes zijn vertrokken), maar het proces was minder open dan men wellicht had gewild. Hopelijk trekken GroenLinks en Peters daaruit lering, want zelfs al zijn zij ervan overtuigd dat de hele zaak op een smerige manier is opgeklopt door verschillende media, dan nog geldt, zoals Halsema in november 2010 concludeerde:

Ik blijf bij de opvatting dat Kamerleden in opspraak kunnen raken en dat daarmee een serieus probleem voor de geloofwaardigheid van de politiek ontstaat. Dat probleem is er niet pas nadat de rechter een oordeel heeft uitgesproken.

woensdag 13 juli 2011

PvdA en GroenLinks: schoothondjes van Rutte?

Emile Roemer ergert zich aan de opstelling van de PvdA en GroenLinks. In een interview met NU.nl toont hij zijn verwondering over de medewerking van PvdA en GroenLinks aan sommige kabinetsmaatregelen. Zo steunde GroenLinks de missie in Kunduz en toonde de PvdA zich positief over de missie in Libië en het pensioenakkoord. Op deze manier kon Rutte volgens Roemer gemakkelijk in het zadel blijven:
“Op zulke momenten laat de oppositie het kabinet gewoon zitten. Hoe meer de oppositiepartijen dat doen, hoe meer ik ze verantwoordelijk acht voor het instandhouden van dit kabinet en de maatregelen op al die bezuinigingsterreinen.”
Volgens Roemer maken PvdA en GroenLinks het Rutte op deze manier erg gemakkelijk om lachend door te regeren:
"De oppositie moet stevig oppositie voeren op cruciale punten. Ik roep GroenLinks en zeker de PvdA op om een keer nee tegen Rutte te zeggen. Die man breekt wel met de kleinst mogelijke meerderheid sociaal Nederland af. Ze hebben zich in de luren laten leggen."
Dat is een stevige uitspraak van Roemer. Maar is het nu echt zo dat GroenLinks en PvdA aan de leiband van de premier lopen en zijn kabinet keer op keer in het zadel houden als het voor de coalitie lastig wordt? Dat beeld is sterk overdreven.

Als we kijken naar het stemgedrag van de partijen in de Tweede Kamer, zien we dat er in de periode september 2010 tot en met mei 2011 maar een kleine overeenstemming is tussen de linkse partijen en de coalitie. De PvdA stemt in 43% van de gevallen hetzelfde als de VVD, GroenLinks 37% en de SP 34%. De gelijkenissen met het CDA zijn iets groter: PvdA stemt in 50% van de gevallen hetzelfde als de christen-democraten, GroenLinks in 44% en de SP in 41%. Gedoogpartner PVV kan minder vaak op steun van SP (39%), PvdA (39%) en GroenLinks (35%) rekenen. Over het algemeen ontlopen de percentages elkaar dus niet zo veel . SP trekt relatief iets vaker op met de PVV, maar de verschillen zijn klein.




Is het dan zo dat juist GroenLinks en de PvdA de linkse bondgenoten in de steek laten? Het aantal keren dat de PvdA met VVD én CDA meestemde terwijl SP en GroenLinks dat niet deden was 118 op een totaal van 1873 stemmingen (=6,3%). De SP stemde 77 keer hetzelfde als de coalitiepartijen toen PvdA en GroenLinks dat niet deden (=4,1%). Bij GroenLinks gaat het om 55 stemmingen (=2,9%). PvdA en GroenLinks verloochenden het linkse kamp dus niet substantieel vaker dan de SP, GroenLinks deed dit zelfs iets minder vaak dan de socialisten. 



Als we kijken naar wat partijen deden als de coalitie verdeeld stemde – dus er een kans was om een wig te drijven in het rechtse kamp – is het beeld niet veel anders. Het gaat hier in totaal om 551 stemmingen. De SP stemde in zulke gevallen 160 keer met de meerderheid van de coalitie mee, GroenLinks deed dat 176 en de PvdA 182 keer. Ook hier zijn de verschillen tussen de linkse partijen dus klein.

Wellicht is de kritiek van Roemer op enkele specifieke punten terecht – niet voor niets was er bijvoorbeeld binnen GroenLinks ook veel kritiek op de wel erg gezellige samenwerking met Rutte in het Kunduz-dossier. Maar het beeld dat PvdA en GroenLinks het kabinet in het zadel zouden houden is vertekend. Bij geen van de punten die Roemer noemt stond immers de positie van het kabinet op het spel. En juist daar waar voor links de echte pijn zit - de bezuinigingen - houden de coalitiegenoten elkaar stevig vast.

Daarnaast is het voor Roemer in veel gevallen gemakkelijker om  ‘nee’ te zeggen tegen het kabinet dan voor PvdA en GroenLinks. De punten waar PVV-gedoogsteun ontbreekt, zoals Europa en vredesmissies, zijn veelal zaken waar ook de SP tegen is. GroenLinks en PvdA zijn het met sommige kabinetsmaatregelen gewoon eens, bijvoorbeeld als het gaat om het Europees beleid. Dan steeds ‘nee’ roepen uit partijpolitieke motieven lijkt is dan opportunistisch en dom tegelijk – in die gevallen moet je je onderhandelingspositie juist benutten. Als Roemer suggereert dat dit de afgelopen tijd onvoldoende is gebeurd, dan heeft hij dáárin waarschijnlijk wel gelijk.


In het kader van wat in goed Nederlands ‘full disclosure’ heet: ik ben lid van GroenLinks. (Als u het enkel om die reden met mij oneens bent, wens ik u veel succes.)