Pages

woensdag 28 december 2011

Electorale winnaars en verliezers 2011

Het politieke landschap wordt vaak beschreven in termen van winnaars en verliezers. Peilingen spelen daarin een centrale rol: al hun problemen ten spijt, de onderzoeken van Maurice de Hond en Synovate geven een indicatie van de populariteit van politieke partijen. Deze trends spelen vervolgens een belangrijke rol in de perceptie van het succes van de partijen. De kritiek op Cohen zou waarschijnlijk wegebben als de peilingen voor de PvdA wél gunstig zouden zijn, terwijl Roemers positieve imago natuurlijk wordt geholpen door de goede score van de SP in de peilingen.

Wie waren nu eigenlijk de winnaars en verliezers in 2011? Een vergelijking van de peilingen van eind dit jaar met die van eind 2010.

dinsdag 27 december 2011

GroenLinks maakt geen ruk naar links

GroenLinks schuift onder Sap naar links volgens de Volkskrant. De partij zou sinds het aantreden van Jolande Sap veel meer op de lijn van de SP zitten dan in de periode-Halsema. De Volkskrant duidt dit als een beweging van de partij van progressief richting oud-links. Deze conclusie wordt getrokken op basis van cijfers over het stemgedrag van fracties in de Tweede Kamer. Dat lijken harde feiten, maar de cijfers kloppen niet. Als je de berekeningen correct maakt, schuift GroenLinks eerder richting D66 dan richting de SP.

SP-moties

De Volkskrant baseert haar conclusie op cijfers van het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer, die wij ook mochten inzien. In de onderstaande figuur kan je goed zien wat er mis is gegaan in de analyse van de Volkskrant. De SP diende tussen 1 januari 2006 en 31 december 2010 (de periode-Halsema) in totaal 2101 moties in. GroenLinks steunde 1527 van deze moties (in groen weergegeven). Dat is 72%, zoals de Volkskrant rapporteert. Dat cijfer verhult echter dat over 349 van de SP-moties überhaupt niet is gestemd omdat deze werden ingetrokken of gewijzigd (in grijs weergegeven) . Van de 1752 SP-moties die wél in stemming zijn gekomen (het rode en groene  deel), steunde GroenLinks er 1527 ofwel 87%.

Dit is een verschil van 15% dat de uitkomst van de analyse verandert. Als we de cijfers voor de periode-Sap (die de Volkskrant wel correct berekent) en de periode-Halsema met elkaar vergelijken dan zien we het volgende: GroenLinks steunde tussen 2006 en 2010 87% van de SP-moties. Tussen 1 januari 2011 en 30 november 2011 was dat 84%. Dat is een kleine daling in plaats van een grote stijging. Waar de Volkskrant-journalisten een stijging zagen omdat ze een rekenfout hadden gemaakt, blijkt uit hun eigen cijfers dat GroenLinks onder Sap iets minder vaak SP-moties steunt dan onder Halsema.

We kunnen de analyse ook omdraaien: hoe vaak stemde de SP met moties van GroenLinks mee? Volgens de Volkskrant vallen de GroenLinks-moties die ingediend zijn sinds Sap partijleider is, beter in de smaak bij Roemer en de zijnen. De socialisten steunden in het afgelopen jaar 87,5% van de GroenLinks-moties. Tussen 2006 en 2010 was dat, als je de berekening op de juiste manier maakt, 87,7%. Geen grote stijging in steun van de SP dus, maar een uitermate minieme daling. Als we kijken naar het daadwerkelijke stemgedrag van GroenLinks en SP, dan zien we dus geen schokkende toenadering van de GroenLinks richting SP maar eerder een heel kleine verwijdering.

GroenLinks en D66
De Volkskrant trekt op basis van haar gemankeerde analyse niet alleen conclusies over de relatie tussen GroenLinks en de SP, maar ook over D66. Er wordt gesteld dat GroenLinks zich onder Femke Halsema profileerde als links-liberaal en nauw contact met D66 zocht. Dit zou onder Jolande Sap zijn gestopt. Hier levert het artikel geen cijfers bij, maar die heeft de Tweede Kamer wel aangeleverd. Uit deze cijfers blijkt dat GroenLinks in 2011 96% van de moties van D66 steunde, tegenover 91% in de periode 2006-2010. GroenLinks steunt D66-moties dus vaker dan dat ze SP-moties steunt. De mate waarin GroenLinks D66-moties steunt is bovendien toegenomen. GroenLinks steunt onder Sap bijna alle D66-moties. Als we uit deze cijfers al een verschuiving van GroenLinks kunnen destilleren is het dat GroenLinks onder Sap richting D66 opgeschoven is.

Voorzichtige conclusies
De Volkskrant trekt op basis van een rekenfout verregaande conclusies: GroenLinks zou een ruk naar links maken, omdat GroenLinks vaker met de SP mee zou stemmen. Als we hun eigen cijfers narekenen dan zien we een heel andere beweging. Wij zien een kleine verwijdering tussen GroenLinks en de SP, en tegelijkertijd een kleine toenadering tussen D66 en GroenLinks. Wij zouden hieruit niet concluderen dat Sap een koerswijziging heeft ingezet. Sap zet de sociaalliberale koers van Halsema eerder voort. Dit is ook niet raar: Sap heeft voor en achter de schermen een grote invloed gehad op de koers van GroenLinks voor zij partijleider werd.

Uit eerder onderzoek (pdf) blijkt dat het stemgedrag van fracties in de Tweede Kamer een zeer grote mate van stabiliteit vertoont. Plotselinge veranderingen komen bijna altijd door wijzigingen in de regeringssamenstelling. Nu er een rechtse regering is, vinden GroenLinks en D66 elkaar nog vaker dan in de vorige kabinetsperiode. Ook de politieke context is veranderd: GroenLinks en D66 vinden elkaar in pro-Europese oplossingen van de Europese schuldencrisis. Het is problematisch om deze wijzigingen in stemgedrag één op één te vertalen naar een inhoudelijke koerswijziging. Nog problematischer is het om dit allemaal op te hangen aan een leiderschapswisseling waaraan geen enkel inhoudelijk motief ten grondslag lag. Hoewel het te prijzen is als journalisten zich op cijfers baseren, moeten ze wel uiterst voorzichtig zijn met de interpretatie daarvan, vooropgesteld dat de cijfers kloppen.

Dit stuk, van de hand van collega Simon Otjes en mijzelf, verscheen eerder in licht bewerkte vorm in De Volkskrant van 24 december. 

maandag 12 december 2011

Is fact free politics een probleem?

Recentelijk betoogde Dick Pels dat ‘links’ maar eens moest ophouden ‘rechts’ ervan te betichten fact free politics te bedrijven. Dit verwijt wordt het huidige kabinet, en vooral gedoogpartner PVV, maar al te vaak gemaakt. Een recent voorbeeld betreft de maximumsnelheid. Zelfs al wijzen alle onderzoeken uit dat 130 op de snelweg slecht is voor milieu, verkeersgebruikers en omwonenden, dan nog zullen boliderijdende VVD’ers er alles aan doen om lekker 10 kilometer harder te mogen rijden. Het genot van het autorijden neemt waarschijnlijk, net als de luchtweerstand, exponentieel toe met de snelheid.

Pels licht zijn bezwaren tegen het verwijt dat ‘rechts’ aan fact free politics zou doen toe aan de hand van drie stellingen. De eerste twee zijn eenvoudig samen te vatten: links doet het ook, en ook rechts gebruikt feiten (al dan niet gemanipuleerd, net als bij links overigens). Dat eerste is zo klaar als een klontje: als het gaat om 130 op de snelweg legt ‘links’ heel rationeel uit dat het nauwelijks tijdwinst oplevert, maar wel meer doden, maar als een asielzoeker het land uitgezet moet worden, moet het hart het ineens winnen van het hoofd.

Pels’ tweede bezwaar is ook zichtbaar. Alle partijen houden ervan om ‘feiten’ te presenteren – vooral als betreffende feiten hen goed uitkomen. Terecht wordt gesteld dat er in sommige dossiers eerder te veel dan te weinig feiten op tafel liggen. Herinnert u zich nog de enorme stapel rapporten waarmee Alexander Pechtold op de proppen kwam toen kabinet Balkenende-IV twintig ambtelijke commissies wilde instellen om bezuinigingen in kaart te brengen? Gelukkig spelen feiten een belangrijke rol bij de vorming van beleid.

Door feiten voor te doen als ‘dingen’, zo is Pels’ derde bezwaar, misleiden de fact-free-politics claimanten ons. Feiten zijn helemaal niet objectief. Feiten worden gefabriceerd, zo stelt de filosoof Latour. Het claimen van objectieve waarheid is fundamentalistisch en maakt vrijzinnige, zelfkritische politiek onmogelijk. Het is bovendien contraproductief om zelfingenomen populistische politici slechts ‘objectieve feiten’ voor te houden; zij zijn immers net als gelovigen die zich door niets van hun stuk laten brengen. “Links moet juist leren”, zegt Pels, “om de feiten te laten dansen op de maat van de eigen muziek: om de feiten te manipuleren, zonder ze te presenteren als onwrikbare dingen”.

Hiermee lijkt Pels zich, doch niet helemaal, een behoorlijk sociaal constructivistisch standpunt aan te meten. Het is duidelijk dat in de politiek, en in de sociale werkelijkheid in bredere zin, veel feiten inderdaad ‘sociale feiten’ zijn. Ze zijn sociaal geconstrueerd, zoals John Searle laat zien: geld, huwelijk en de regering, geen van allen bestaat zonder dat we daar gezamenlijk een betekenis aan toekennen. Maar dat betekent niet dat er in het geheel geen objectieve feiten zijn. De Mount Everest, bijvoorbeeld, zou er ook zijn als de mensheid niet was geëvolueerd. Los van het feit of we dat ding nu een ‘berg’ noemen: hij zou er staan.

Sociale feiten, zoals geld, zijn niet gemakkelijk te reduceren tot een objectieve waarheid. Maar dat wil niet zeggen dat je je in het publieke debat zomaar alles kunt permitteren met dergelijke feiten. Als u bij de bakker een brood wilt meenemen, zult u nog een lastige ochtend beleven als u hem probeert uit te leggen dat die muntjes en briefjes die hij van u verlangt geen waarde hebben. En hoewel er ontzettend veel debat is over de precieze betekenis van de termen ‘links’ en ‘rechts’ in de politiek, gebruikt Pels ze ruimschoots – en wij begrijpen hem.

Meer hoopgevend is Pels’ stelling dat we op zoek moeten naar een “een vrijzinnige politiek die twijfel toelaat en bereid is het eigen perspectief op de proef te stellen.” Juist een dergelijke kritische houding is hetgeen ten grondslag ligt aan goed wetenschappelijk onderzoek. Open staan voor het eigen ongelijk is de kern van het wetenschappelijke bedrijf. Als we alles al weten kunnen we de tent wel sluiten. Daarin speelt, zoals Pels terecht stelt, de rede een belangrijke rol. Het luisteren en serieus in overweging nemen van argumenten van anderen. Maar ook feiten, empirische waarnemingen, zijn daarbij belangrijk. Want zij bieden ons een uitzicht op de (sociale) werkelijkheid.

Elk overtuigend politiek verhaal berust op ideeën. En die ideeën kleuren ons perspectief op de werkelijkheid. Maar het is een vergissing om feiten dientengevolge slechts te beschouwen als framing. Als je serieus het politiek debat aan wilt gaan, moet je ook bereid zijn om uit je eigen frame te stappen. Je kunt sociale feiten nooit helemaal los zien van je standpunt, maar dat betekent niet dat het niet de moeite waard is om te pogen een onderscheid te maken tussen feiten en meningen. Juist omdat argumenten sterker staan als ze verbonden zijn met feiten. Ook dat draagt namelijk bij aan het voeren van een kritisch en vrijzinnig politiek debat.

donderdag 1 december 2011

Pooling the Polls: Coalitie op 70 zetels

De doorrekening van de meest recente peilingen inclusief de Politieke Barometer van vandaag geeft aan dat de laatste maand qua netto verschuivingen relatief rustig is geweest. Geen enkele verschuiving in de periode 1 november tot 1 december was statistisch significant. De VVD staat sinds de verkiezingen op lichte winst, hoewel deze winst net binnen de foutmarge valt voor de meest recente schatting. Hetzelfde geldt voor gedoogpartner PVV - er is dus geen sprake van een enorme stijging van de partij van Wilders, zoals soms wel lijkt te worden verondersteld. Grote winnaars ten opzichte van de verkiezingen zijn SP en D66 die waarschijnlijk elk zo'n 7 à 8 zetels zouden winnen. Opvallend is wel dat Peil.nl van Maurice de Hond de winst van beide partijen (veel) hoger inschat dan de Politieke Barometer: bij De Hond staat de SP bijvoorbeeld maar liefst 9 zetels hoger.


Verliezen worden geleden bij de PvdA en het CDA. Bij de PvdA lijkt een licht herstel op te treden, maar dit valt nog binnen de foutmarge. De scherpe val van het CDA in de afgelopen maanden lijkt voorlopig even gestopt. GroenLinks staat ook nog steeds op verlies ten opzichte van juni 2010, maar ook bij die partij lijkt een licht herstel op te treden. De overige partijen zijn redelijk stabiel. De Partij voor de Dieren lijkt kans te maken op een derde zetel en ook 50PLUS zou een zetel winnen en daarmee voor het eerst in de Tweede Kamer komen.


Lees en bekijk meer op peiling.tomlouwerse.nl >>

zondag 6 november 2011

Peiling der peilingen: CDA zakt weg

Of u het nu leuk vindt of niet: peilingen spelen een belangrijke rol in het politieke debat. De benarde positie waarin het CDA verkeert wordt versterkt doordat peilingen inzicht geven in de steun voor die partij als er vandaag verkiezingen zouden zijn. Het was dan ook groot nieuws toen Maurice de Hond van Peil.nl deze partij nog maar elf zetels toedichtte. Niet echt leuk voor de christendemocraten, maar misschien ook iets om rekening mee te houden. Meer problematisch is het als verschuivingen van één of twee zetels worden ‘verklaard’ aan de hand van allerlei factoren, terwijl deze net zo goed het gevolg kunnen zijn van onzekerheden in de peiling. In de meest recente peilingen vallen vooral de verschillen tussen de twee grote peilingbureaus Synovate en Peil op.

Onderstaande tabel toont de meest recente peilingen van Synovate (Politieke Barometer) en Peil (Maurice de Hond). Verschillen in het blauw geven aan dat Synovate deze partij meer zetels toedicht, bij verschillen in het rood geeft Maurice de Hond een partij meer zetels. De ‘grote drie’ doen het duidelijk beter bij Synovate: 7 meer voor de PvdA, 3 meer voor CDA en VVD. Bij Peil doen de partijen aan de extremen van het spectrum het beter: SP krijgt van De Hond 6 zetels meer dan bij Synovate, D66 5, en de PVV 2 (dat laatste zou nog net binnen de foutmarge vallen). Dit verschil kan wellicht worden verklaard door de onderzoeksmethode: Peil.nl maakt gebruikt van een panel waarvoor je jezelf kunt aanmelden – dit trekt eerder mensen aan die politiek betrokken en ontevreden zijn.


Figuur 1: Overzicht verschillen laatste peilingen Synovate en Peil

Als we de informatie van de twee peilingbureaus samen nemen, komen we waarschijnlijk tot een meer genuanceerd beeld van de kansen van de partijen. Dit doe ik met behulp van een ‘Pooling the polls’ model van Simon Jackman dat ik eerder ook heb gebruikt bij de voorspelling van de uitslag van de Eerste Kamerverkiezingen. In de gebruikte versie gaat het model er vanuit dat gemiddeld genomen de metingen van de peilingbureaus kloppen. Hoewel deze aanname problematisch is (de steun voor de PVV werd bij de laatste verkiezing onderschat), kunnen we moeilijk anders, omdat we niet weten wat de ‘echte’ uitslag zou zijn. Het is lastig om de precieze uitwerking van het model kort toe te lichten, maar kortweg geeft het model een soort gewogen gemiddelde van de beschikbare peilingen (waarbij oudere peilingen steeds minder zwaar wegen). 

Figuur 2: Peiling der peilingen 4 november 2011 (grote partijen). In de grafiek staan percentages (met foutmarges), de getallen eronder geven de vertaling in zetels (de grijze getallen geven de minimum en maximumverwachting aan met 95% vertrouwen). De sterretjes in de balken geven aan dat er een statistisch significant verschil is tussen de betreffende balk en de meest recente peiling.


De VVD zou het volgens deze ‘Peiling der peilingen’ nu waarschijnlijk iets beter doen dan bij de verkiezingen vorig jaar, maar dit verschil is (net) niet statistisch significant. In de grafiek staan de percentages met de foutenbalk aangegeven; onderaan staan de bijbehorende zetelaantallen. Het model verwacht voor de VVD tussen de 32 en 35 zetels, waarschijnlijk 34. De middelste balk geeft de verwachting aan voor 30 dagen geleden. De electorale positie van de VVD is nauwelijks gewijzigd, want de balken voor deze en vorige maand zijn vrijwel precies even lang. De PvdA staat duidelijk op verlies, van 30 naar 18. Ten opzichte van vorige maand zijn de kansen van de partij ongewijzigd. De PVV staat op winst van 24 naar 27 zetels. Het CDA beleeft een sterke teruggang. In de Kamer heeft ze nu 21 zetels, vorige maand waren dat er volgens de Peiling der peilingen 15 en nu nog 12. Zowel het verschil met de Tweede Kamer als het verschil met vorige maand is significant, zoals de sterretjes in de balken aangeven. De SP staat op winst van 15 zetels nu in de Kamer naar een voorspelde 25. 

Figuur 3: Peiling der peilingen 4 november 2011 (kleine partijen). In de grafiek staan percentages (met foutmarges), de getallen eronder geven de vertaling in zetels (de grijze getallen geven de minimum en maximumverwachting aan met 95% vertrouwen). De sterretjes in de balken geven aan dat er een statistisch significant verschil is tussen de betreffende balk en de meest recente peiling.

Bij de kleinere partijen doet vooral D66 het goed. De partij stijgt van 10 naar ongeveer 17 zetels; stabiel ten opzichte van vorige maand. GroenLinks heeft duidelijk te lijden onder de verschillende kwesties in de partij (Kunduz, Peters) en daalt van 10 naar ongeveer 7 zetels. De ChristenUnie doet het wel iets beter dan in 2010, maar dat vertaalt zich waarschijnlijk nog net niet in zetelwinst. Ook bij de SGP (in percentage iets slechter) en de PvdD (in percentage iets beter) zien we geen wijziging in het aantal verwachte zetels.

Wat opvalt is dat de verschillen ten opzichte van de peiling van vorige maand vaak beperkt en meestal niet statistisch significant zijn. Het gaat immers in beide gevallen om een peiling met onzekerheidsmarges. Zelfs als we alle beschikbare informatie van de twee peilingbureaus combineren moeten we rekening houden met een foutmarge van ongeveer twee zetels voor grote partijen. Deze kleine verschuivingen kunnen net zo goed toevallig zijn als een echte verschuiving in de kiezersvoorkeur. Het is dus beter om naar de effecten op de langere termijn te kijken, want die zijn vaak wel statistisch significant. Dan zien we dat PvdA, CDA en GroenLinks verliezen en dat de PVV, SP en D66 duidelijk winnen. Dat is een veel belangrijker en relevanter gegeven dan de wekelijkse zetelpingpong waar nu vaak naar wordt gekeken.

zaterdag 15 oktober 2011

Stemgedrag PVV: Loyaal met een scherpe rand


In oktober 2010 kondigden VVD, PVV en CDA aan een bijzonder meerderheidskabinet te vormen. VVD en CDA onderschreven een coalitieakkoord. Daarnaast werd een gedoogakkoord gesloten met de PVV – deze partij steunt het kabinetsbeleid op een (groot) aantal terreinen en belooft het niet te laten vallen over maatregelen die in het coalitieakkoord staan omschreven. Dit betekende dat de PVV een nieuwe positie innam in het politieke landschap. Tot de verkiezingen van 2010 had de PVV bewust gekozen voor confrontatie met de gevestigde partijen in haar parlementair gedrag. Ze stelde zich op als een rechtse oppositiepartij, de "rechts buiten" van de Tweede Kamer. Is het gedrag van de PVV veranderd nu de partij gedoogpartner is van een coalitie van CDA en VVD?

De kern van onze uitkomsten is dat de PVV als gedoogpartner twee houdingen combineert: een constructieve houding op onderwerpen die in het gedoogakkoord staan en een kritische, confronterende houding op andere terreinen. Op onderwerpen uit het gedoogakkoord is zij minder actief en stemt zij vaak hetzelfde als CDA en VVD. Dit betreft zowel de sociaaleconomische agenda van het kabinet (volksgezondheid, sociale zaken en financiën) als de agenda van het kabinet wat betreft veiligheid, integratie en immigratie. Echter op die onderwerpen waar de PVV heeft aangeven het niet eens te zijn met het kabinet is de partij actiever en uitgesprokener geworden. De partij stemt dan anders als CDA en VVD, en nog steeds relatief vaak alleen. Ook dient zij op deze onderwerpen meer moties en amendementen in. We beschrijven deze manier van opereren als loyaal (op die onderwerpen die in het gedoogakkoord staan) maar met een scherpe rand (op die onderwerpen die daarbuiten vallen). Deze stijl van opereren waarbij de partij met een been in het regeringsvak staat en met het andere been aan de kant van de anti-establishment oppositie is in andere landen succesvol toegepast door rechts-populistische partijen zoals de Italiaanse Lega Nord en de Deense Volkspartij.



Het onderzoek kijkt naar zes vragen: ten eerste, hoe actief zijn PVV-Kamerleden? De PVV dient in totaal minder voorstellen in. Dit past bij het beeld van een partij die deelneemt aan de regeringsmacht. Deze fracties dienen doorgaans minder voorstellen in. Wel is het zo dat de partij relatief meer (arbeidsintensieve) amendementen indient dan voorheen, wat blijk geeft van een verdere professionalisering van de fractie.

De tweede vraag is op welke onderwerpen PVV-Kamerleden actief zijn. We hebben gekeken naar moties die zijn ingediend in het kader van de begrotingsbehandelingen, welke eenvoudig te classificeren zijn. Van deze moties is het onderwerp buitenlandse zaken het meest populair bij de PVV. Dit is een grote verschuiving ten opzichte van de periode 2006-2010 toen de fractie vooral moties en amendementen indiende over justitie en binnenlandse zaken. Dit is te verklaren vanuit het feit dat de PVV in het gedoogakoord afspraken heeft gemaakt over veiligheid, immigratie en integratie, maar niet over buitenlands beleid Europa.



De derde vraag betreft de samenwerking met de PVV: hoe vaak dient de PVV voorstellen in samen met andere partijen? De PVV dient vooral moties in met coalitiepartners CDA en VVD, en met de SP. De opvallende verschuiving hierbij is dat het CDA en de PVV nauwelijks samen moties indienden vóór 2010.

De vierde vraag gaat over de isolatie van de PVV: hoe vaak stemt de PVV alleen? De PVV stemt nu minder vaak alleen dan in de periode 2006-2010, maar de mate waarin de PVV alleen staat blijft in historisch-vergelijkend perspectief hoog. De PVV staat vooral alleen in stemmingen over buitenlandse zaken (geen onderdeel van het gedoogakkoord), terwijl dit eerder binnenlandse zaken was (wel grotendeels onderdeel van het gedoogakkoord).



In verreweg de meeste stemmingen staat de PVV echter niet alleen. Onze vijfde onderzoeksvraag is hoe vaak andere partijen hetzelfde stemmen als de PVV. De VVD stemt het vaakst hetzelfde als PVV (77%) en doet dit ook vaker dan in de periode 2006-2010 (65%). Het CDA stemt nu in 75% van de gevallen mee met de PVV, aanzienlijk vaker dan voorheen (53%). De mate waarin de PVV hetzelfde stemt als de linkse oppositiepartijen is afgenomen. Opvallend hierbij is dat zeker op de sociaaleconomische onderwerpen, zoals sociale zaken en volksgezondheid, waarop er eerder sprake was van een zekere verwantschap tussen linkse partijen als SP en de PVV, in deze periode minder samen wordt gestemd. Omdat voorstellen op deze punten financiële consequenties hebben, kan de PVV niet hetzelfde stemmen als de SP zonder het gedoogakkoord te breken.

De zesde vraag betreft het succes van de PVV: hoeveel moties en amendementen worden aangenomen? De mate waarin de PVV voorstellen krijgt aangenomen is aanzienlijk toegenomen over tijd. Dit heeft echter nog steeds niet het niveau dat normale coalitiepartijen bereiken. In termen van het totaal aantal aangenomen moties blijft de PVV achter bij andere partijen. Dit is mede te verklaren vanuit het meer extreme gedachtegoed van de partij: ook andere radicale oppositiepartijen zoals de Partij voor de Dieren en GroenLinks weten een beperkt aantal moties aangenomen te krijgen.

Dit is de samenvatting van de rapportage Loyaal met een scherpe rand, die ik samen met Simon Otjes heb geschreven voor Argos, een programma van VPRO radio. De vragen zijn samen met Argos vastgesteld. Het onderzoek is een vervolg op de rapportage "Kiezen voor Confrontatie" die de auteurs in mei 2010 voor Argos schreven.

donderdag 22 september 2011

Stemgedrag Algemene Beschouwingen: Wilders blaft hard, maar bijt niet

De Algemene Beschouwingen 2011 lieten een nogal wisselend beeld van de politiek zien. Het grootste deel van de tweede dag werd er inhoudelijk gedebatteerd, maar Wilders wist weer het beeld te bepalen met zijn compromisloze en op de persoon gerichte taal. Het debat eindigde met de stemming over 21 ingediende moties. Hier kwam de echte Hollandse aap uit de mouw: Wilders blaft wel, maar bijt niet.

De PVV stemde in 19 van de 21 gevallen gewoon mee met de VVD en in 17 van de 21 gevallen met het CDA. Ter vergelijking: de PvdA van 'grote gedoger' Job Cohen stemde slechts tweemaal hetzelfde als de VVD en vier maal als het CDA. Wilders steunde daarbij geen enkel voorstel van de oppositie - zijn fractie stemde alleen voor zijn eigen voorstel over een referendum over de EU-steun aan Griekenland.

Als we het stemgedrag over deze 21 moties in kaart brengen en daar de patronen uit destilleren, zien we een duidelijk links-rechts beeld (dat natuurlijk overeenkomt met de tegenstelling tussen regering en oppositie, aangezien de drie regeringspartijen ter rechterzijde zitten). Meest links staan SP, PvdD, GroenLinks en PvdA. D66 staat net iets ter rechterzijde daarvan, gevolgd door ChristenUnie en SGP. Dan volgen de regeringspartij CDA, gedoogpartner PVV en de regeringsfractie van de VVD. Merk wel op dat de schattingen van deze 'ideaalposities' van partijen behoorlijk onzeker zijn: het gaat hier maar om 21 stemmingen. Desalniettemin komt het beeld overeen met het stemgedrag in het afgelopen parlementaire jaar.

Schattingen stemgedrag met behulp van IDEAL van Simon Jackman.




Het eendimensionale plaatje geeft al een zeer goede voorspelling van het stemgedrag van de partijen, maar er zijn een paar stemmingen die niet in dit beeld passen. Neem bijvoorbeeld het referendum over Griekenland, waar PVV en PvdD samen voor stemden. Als we deze patronen ook in kaart willen brengen is een twee-dimensionaal figuur nodig. Hierin is te zien dat op een klein aantal moties is samengewerkt door PVV, PvdD en SP (zij staan op Dimensie 2 aan dezelfde kant van het spectrum). In dat laatste geval ging het vooral om moties die door de middenpartijen werden gesteund, maar door PVV, VVD, SP en PvdD werden verworpen. 

Het tweedimensionale beeld is in feite hetzelfde als het eendimensionale plaatje: het stemgedrag wordt gedomineerd door links versus rechts, oppositie versus regering (inclusief de gedoogpartner). Het laat zien dat Wilders wel veel stampij maakt in de Kamer, zowel inhoudelijk over een aantal onderwerpen als door zijn woordkeus, maar als puntje bij paaltje komt het kabinetsbeleid gewoon steunt.
Schattingen stemgedrag met behulp van IDEAL van Simon Jackman.
Voor de statistici: Het model is geïdentificeerd door de posities van SP, PVV en CU vast te stellen op basis van hun positie in een klassieke multidimensional scaling op de afstandsmatrix tussen partijen. 

dinsdag 20 september 2011

Woordgebruik Troonrede 2011: de regering spreekt


Een snelle analyse van het woordgebruik van de troonrede leert dat in 2011 opvallend vaak wordt gesproken over de 'regering' en de 'overheid'. Daarnaast zijn woorden als 'economie' en 'economische' dit jaar veel aanwezig. Gezien de centrale boodschap van het kabinet-Rutte dat de financieel-economische problemen moeten worden opgelost door stevig te snijden in de overheidsuitgaven en -regulering, komt dit natuurlijk niet echt als een verrassing.

Wordle van de Troonrede 2011


Vergelijking woordgebruik troonredes 2010 en 2011. Woorden die bovenaan de figuur staan werden in 2011 relatief vaak gebruikt in vergelijking met vorig jaar. 

dinsdag 13 september 2011

SP-onderzoek PVV-beloftes beter in overdrijven dan tellen

De SP houdt gedoogpartij PVV goed in het vizier. Na een eerdere publicatie over gebroken PVV-beloftes verscheen vandaag een nieuw onderzoek van het wetenschappelijk bureau van de SP waarin wordt beweert dat de PVV in de afgelopen tijd nog eens 150 beloftes brak. Het is een goede zaak dat partijen elkaar de maat nemen, juist over elkaars inhoudelijke keuzes en de consistentie daarvan. Het doel van verkiezingsprogramma's is immers de kiezer inzicht te geven in het gedrag van partijen na de verkiezingen. Als partijen stelselmatig afwijken van hun programma krijgt de kiezer iets heel anders dan voorgespiegeld. Toch is het de vraag of de publicatie van de SP niet vooral een publicitaire stok is om de PVV mee te slaan. Want op het onderzoek valt het nodige aan te merken.

Neem een voorbeeld uit hoofdstuk 2 van het SP-onderzoek. Dat begint met: "De PVV zegt een einde te willen maken aan de graai- en bonussencultuur". Daarbij wordt verwezen naar pagina 19 van het PVV-verkiezingsprogramma. Op pagina 21 van dat programma staat inderdaad dat de PVV af wil van de bonussencultuur in de (semi)publieke sector, bij staatsondernemingen en bij financiële instellingen met staatssteun. Dat laatste lijken de onderzoekers even te vergeten als de PVV wordt tegengeworpen tegen een aantal moties over het beloningsbeleid bij financiële instellingen te hebben gestemd. Die moties zien immers niet alleen op financiële instellingen met staatssteun. Dat de PVV tegen dergelijke moties stemt, is dus niet in tegenspraak met hetgeen in het verkiezingsprogramma staat. Overigens stemde de PVV vóór één van de moties waarvan het onderzoek beweert dat de partij tegen stemde (namelijk nummer 31980, 42).

Dit ene voorbeeld illustreert dat het onderzoeken van verkiezingsbeloftes nog niet zo eenvoudig is. Dat is bij degenen die wetenschappelijk onderzoek doen naar verkiezingsbeloftes al lang bekend. Robert Thomson deed in de jaren 1990 promotieonderzoek naar verkiezingsbeloftes in Nederland en besteedde daarbij veel aandacht aan de vraag wat nu precies een belofte is en wanneer je die vervult of verbreekt. Het blijkt nog behoorlijk lastig om daarvoor een objectieve maatstaf te formuleren. Natuurlijk is het in sommige gevallen duidelijk dat een belofte is verbroken, maar veel vaker is er sprake van een grijs gebied. Het lijkt er toch op dat de SP-onderzoekers dit gebied overwegend in het nadeel van de PVV hebben ingekleurd.

Daarbij komt dat het rapport ten onrechte de indruk wekt dat de PVV volledig vrij is qua stemgedrag op het gebied van zorg, onderwijs en sociale zekerheid. Op die punten is de partij van Wilders vaak gebonden aan het gedoogakkoord omdat maatregelen op deze terreinen gevolgen hebben voor de begroting (lees: de bezuinigingen). De SP mag natuurlijk kritiek hebben op het feit dat Wilders die bezuinigingen zo gemakkelijk steunt, maar de PVV is wel gebonden aan het gedoogakkoord op dit punt en niet volledig vrij.

Nog belangrijker is het feit dat het onderzoek vooral een lijst blijkt te zijn van gevallen waarin - volgens de onderzoekers - de PVV afweek van het verkiezingsprogramma. Het gaat dus niet zozeer om 150 gebroken beloftes, maar om 150 gevallen waarin de PVV afweek van het programma. Is dat nou veel? Dat is eigenlijk niet te zeggen op basis van alleen deze informatie. We weten namelijk niet in hoe veel gevallen de PVV wel handelde in lijn met het verkiezingsprogramma. Bij alle niet-genoemde moties en amendementen (bijna 2000 stuks)? In dat geval zou de PVV in ruim 90% van de gevallen in lijn met het verkiezingsprogramma handelen. En hoe vaak weken andere partijen af van hun programma? Dat zou je moeten onderzoeken om de gegevens van de SP goed in perspectief te kunnen plaatsen. Het zou best kunnen zijn dat een zorgvuldige replicatie van het SP onderzoek tot de conclusie komt dat de PVV relatief vaak afwijkt van haar programma, maar die conclusie is op basis van het huidige rapport niet gerechtvaardigd.

Mijn kritiek op het onderzoek is des te scherper, omdat de SP rondom het onderzoek een aura van onpartijdigheid heen legt. Het geldt als een rapport van het wetenschappelijk bureau, waarvan toch iets meer distantie is te verwachten dan van de Tweede Kamerfractie. Daarnaast claimt het rapport zelf dat het hier gaat om harde feiten:
Ons oordeel: Wilders blijft een veelpleger als het gaat over het breken van verkiezingsbeloften. Het blijken geen beginnersfouten, maar bewuste keuzes, om anders te handelen dan eerder was beloofd.Dat is geen mening; dat is een vaststelling.
Natuurlijk is het rapport geen bagger - overdrijven kan Wilders zelf maar al te goed - maar bij een 'wetenschappelijke' publicatie horen conclusies die worden gestaafd door het onderzoek. Mijns inziens scheelt het daaraan bij de SP. Dat is jammer, omdat de feiten die worden gepresenteerd op zich interessant zijn en op zichzelf al behoorlijk wat vragen oproepen in de richting van de PVV. Overdrijving past daarbij niet - zeker voor een wetenschappelijk bureau.

zaterdag 6 augustus 2011

Hebben GroenLinksers (te) veel vertrouwen in andere mensen?

De kwesties rondom GroenLinks-kamerlid Mariko Peters die de afgelopen dagen naar boven zijn gekomen, brengen pijnlijke affaires uit het verleden van de partij terug in het geheugen. Zelfs als er van de beweringen in HP/De Tijd en De Volkskrant geen jota zou kloppen en het hele gedoe niets meer is dan een smeercampagne, is het de vraag of de gesloten, afwijzende reactie van de partij de beste (media)strategie is. 

In dit verband is op Twitter wel verwezen naar de uitspraken van oud-fractieleider Halsema over de integriteit van Kamerleden. Zij stelde dat het voor “het goed functioneren van een Kamerlid”, niet alleen geldt, “of je wel of niet strafrechtelijk veroordeeld bent.” Alleen maar verklaren dat je onschuldig bent, zoals Peters deed, lijkt in dit licht onvoldoende. Echter, Halsema zei één zin later in hetzelfde debat ook iets anders tegen Wilders:
Het siert u dat u opkomt voor uw eigen Kamerleden en dat u zich verweert op het moment dat er geen sprake is van strafrechtelijke veroordeling; daar zult u mij niet over horen.
Daarmee doelt zij op de andere kant van de medaille: wat zou een partij waard zijn als iemand bij de eerste de beste beschuldiging aan de dijk wordt gezet? Er moet toch sprake zijn van een vertrouwensrelatie tussen de partijleden – pas als dat vertrouwen wordt beschaamd doordat bepaalde feiten naar voren komen (en na controle juist blijken te zijn) moet een partij conclusies trekken. De tussentijd tussen de eerste openbaarmakingen en het moment waarop de feiten helder in kaart zijn gebracht, is bijzonder lastig. Dan moet je als partij kiezen voor een lastige, maar heldere lijn: het vertrouwen blijft, maar er moet wel duidelijkheid komen – en daar moet juist ook het betrokken Kamerlid zich voor inspannen.

Desalniettemin lijkt het of juist binnen GroenLinks het ongeloof over de mogelijke kwestie (nu en in het verleden) een dergelijke lijn te veel in de weg heeft gezeten. Er was vaak vooral vertrouwen, zonder een kritische blik. Komt dat wellicht doordat het vertrouwen van GroenLinksers in de medemens hoger is, dan in andere partijen? Van de Kamerleden weten we dit niet, maar er is wel iets te zeggen over de kiezers.

Eén van de vele vragen in het Nationaal Kiezersonderzoek (2006) is: “Vindt u over het algemeen dat de meeste mensen wel te vertrouwen zijn, of vindt u dat men niet voorzichtig genoeg kan zijn in de omgang met mensen?” Mensen worden gedwongen om voor één van deze uitersten te kiezen. Het percentage dat kiest voor de optie ‘vertrouwen’ staat, naar partij uitgesplitst, in de onderstaande grafiek weergegeven.

Figuur: Vertrouwen in mensen onder verschillende groepen kiezers (bron: NKO, 2006)

Het vertrouwen in andere mensen is onder de kiezers van GroenLinks duidelijk het hoogste, meer dan 90% zegt dat mensen in de meeste gevallen wel te vertrouwen zijn. Dit percentage ligt maar rond de 60% voor de andere linkse partijen (PvdA/SP). Het vertrouwen van PVV-kiezers en SGP-ers is zo mogelijk nog lager. De foutbalken geven aan dat het verschil tussen GroenLinks-kiezers en kiezers van andere partijen (behalve D66) statistisch significant is: we kunnen concluderen dat het zeer waarschijnlijk is dat niet alleen in de steekproef, maar onder alle kiezers het vertrouwen van GroenLinksers in andere mensen hoger is dan dat van andere kiezers.

Natuurlijk bewijst dit niet dat GroenLinksers allemaal naïeve gutmenschen zijn die maar niet kunnen beseffen dat ook hun eigen partijgenoten soms een misstap begaan. Maar het verklaart misschien deels waarom dat besef in voorgaande affaires wel erg langzaam naar boven kwam. Uiteindelijk zijn er wel conclusies getrokken (Duyvendak, Varma, Pormes zijn vertrokken), maar het proces was minder open dan men wellicht had gewild. Hopelijk trekken GroenLinks en Peters daaruit lering, want zelfs al zijn zij ervan overtuigd dat de hele zaak op een smerige manier is opgeklopt door verschillende media, dan nog geldt, zoals Halsema in november 2010 concludeerde:

Ik blijf bij de opvatting dat Kamerleden in opspraak kunnen raken en dat daarmee een serieus probleem voor de geloofwaardigheid van de politiek ontstaat. Dat probleem is er niet pas nadat de rechter een oordeel heeft uitgesproken.

woensdag 13 juli 2011

PvdA en GroenLinks: schoothondjes van Rutte?

Emile Roemer ergert zich aan de opstelling van de PvdA en GroenLinks. In een interview met NU.nl toont hij zijn verwondering over de medewerking van PvdA en GroenLinks aan sommige kabinetsmaatregelen. Zo steunde GroenLinks de missie in Kunduz en toonde de PvdA zich positief over de missie in Libië en het pensioenakkoord. Op deze manier kon Rutte volgens Roemer gemakkelijk in het zadel blijven:
“Op zulke momenten laat de oppositie het kabinet gewoon zitten. Hoe meer de oppositiepartijen dat doen, hoe meer ik ze verantwoordelijk acht voor het instandhouden van dit kabinet en de maatregelen op al die bezuinigingsterreinen.”
Volgens Roemer maken PvdA en GroenLinks het Rutte op deze manier erg gemakkelijk om lachend door te regeren:
"De oppositie moet stevig oppositie voeren op cruciale punten. Ik roep GroenLinks en zeker de PvdA op om een keer nee tegen Rutte te zeggen. Die man breekt wel met de kleinst mogelijke meerderheid sociaal Nederland af. Ze hebben zich in de luren laten leggen."
Dat is een stevige uitspraak van Roemer. Maar is het nu echt zo dat GroenLinks en PvdA aan de leiband van de premier lopen en zijn kabinet keer op keer in het zadel houden als het voor de coalitie lastig wordt? Dat beeld is sterk overdreven.

Als we kijken naar het stemgedrag van de partijen in de Tweede Kamer, zien we dat er in de periode september 2010 tot en met mei 2011 maar een kleine overeenstemming is tussen de linkse partijen en de coalitie. De PvdA stemt in 43% van de gevallen hetzelfde als de VVD, GroenLinks 37% en de SP 34%. De gelijkenissen met het CDA zijn iets groter: PvdA stemt in 50% van de gevallen hetzelfde als de christen-democraten, GroenLinks in 44% en de SP in 41%. Gedoogpartner PVV kan minder vaak op steun van SP (39%), PvdA (39%) en GroenLinks (35%) rekenen. Over het algemeen ontlopen de percentages elkaar dus niet zo veel . SP trekt relatief iets vaker op met de PVV, maar de verschillen zijn klein.




Is het dan zo dat juist GroenLinks en de PvdA de linkse bondgenoten in de steek laten? Het aantal keren dat de PvdA met VVD én CDA meestemde terwijl SP en GroenLinks dat niet deden was 118 op een totaal van 1873 stemmingen (=6,3%). De SP stemde 77 keer hetzelfde als de coalitiepartijen toen PvdA en GroenLinks dat niet deden (=4,1%). Bij GroenLinks gaat het om 55 stemmingen (=2,9%). PvdA en GroenLinks verloochenden het linkse kamp dus niet substantieel vaker dan de SP, GroenLinks deed dit zelfs iets minder vaak dan de socialisten. 



Als we kijken naar wat partijen deden als de coalitie verdeeld stemde – dus er een kans was om een wig te drijven in het rechtse kamp – is het beeld niet veel anders. Het gaat hier in totaal om 551 stemmingen. De SP stemde in zulke gevallen 160 keer met de meerderheid van de coalitie mee, GroenLinks deed dat 176 en de PvdA 182 keer. Ook hier zijn de verschillen tussen de linkse partijen dus klein.

Wellicht is de kritiek van Roemer op enkele specifieke punten terecht – niet voor niets was er bijvoorbeeld binnen GroenLinks ook veel kritiek op de wel erg gezellige samenwerking met Rutte in het Kunduz-dossier. Maar het beeld dat PvdA en GroenLinks het kabinet in het zadel zouden houden is vertekend. Bij geen van de punten die Roemer noemt stond immers de positie van het kabinet op het spel. En juist daar waar voor links de echte pijn zit - de bezuinigingen - houden de coalitiegenoten elkaar stevig vast.

Daarnaast is het voor Roemer in veel gevallen gemakkelijker om  ‘nee’ te zeggen tegen het kabinet dan voor PvdA en GroenLinks. De punten waar PVV-gedoogsteun ontbreekt, zoals Europa en vredesmissies, zijn veelal zaken waar ook de SP tegen is. GroenLinks en PvdA zijn het met sommige kabinetsmaatregelen gewoon eens, bijvoorbeeld als het gaat om het Europees beleid. Dan steeds ‘nee’ roepen uit partijpolitieke motieven lijkt is dan opportunistisch en dom tegelijk – in die gevallen moet je je onderhandelingspositie juist benutten. Als Roemer suggereert dat dit de afgelopen tijd onvoldoende is gebeurd, dan heeft hij dáárin waarschijnlijk wel gelijk.


In het kader van wat in goed Nederlands ‘full disclosure’ heet: ik ben lid van GroenLinks. (Als u het enkel om die reden met mij oneens bent, wens ik u veel succes.)

woensdag 22 juni 2011

Houden partijen zich aan hun verkiezingsmandaat?

Vandaag hoop ik te promoveren tot doctor in de politicologie. Bij het onderliggende proefschrift 'Political Parties and the Democratic Mandate' behoren twaalf stellingen. In deze serie een korte toelichting op enkele van de meest prikkelende. De laatste aflevering: ‘De mate waarin partijen hun mandaat vervullen is in de afgelopen 60 jaar niet achteruitgegaan en wat betreft issue saliency in Nederland zelfs verbeterd’

Veel mensen zijn sceptisch over het functioneren van politieke partijen. Ruim 90 procent van de ondervraagden uit het Nationaal Kiezersonderzoek zegt te geloven dat politici meer beloven dan ze waar kunnen maken. Als ik als onderzoeker naar het verkiezingsmandaat aan kennissen uitlegde waar mijn onderzoek over ging, kortweg of partijen zich aan hun verkiezingsmandaat houden, was een veelgehoorde reactie: “Dat zal dan wel een heel kort onderzoek zijn, want we weten toch allemaal dat partijen hun beloftes breken.” Een systematisch onderzoek naar de politieke stellingname van partijen tijdens verkiezingen en in het parlement laat echter zien dat het met dat verkiezings- of partijmandaat helemaal niet zo slecht gesteld is. De afgelopen zestig jaar is er geen sprake van een verslechtering van de mate waarin partijen zich aan hun mandaat houden.

Uit voorgaand onderzoek van Robert Thomson was al bekend dat Nederlandse regeringspartijen ongeveer 60% van hun beloftes geheel of gedeeltelijk weten om te zetten in beleid. Dat is niet perfect, maar toch een redelijk percentage. Mijn analyse is breder en kijkt naar de politieke stellingname voor en na verkiezingen. Het kan namelijk zo zijn dat partijen hun beloftes wel nakomen, maar ook een hele hoop andere dingen doen die niet in lijn met hun verkiezingsprogramma zijn. Door te kijken naar het belang van onderwerpen voor partijen (issue saliency) en hun politieke posities heb ik een meer omvattende analyse van het partijmandaat gemaakt. Daarbij zijn verkiezingsprogramma’s vergeleken met parlementaire debatten. Op die manier kan namelijk ook gekeken worden naar het partijmandaat van oppositiepartijen.

De mate waarin partijen aandacht aan onderwerpen besteden in hun verkiezingsprogramma is een goede indicator voor hoeveel ze er over praten in het parlement. De overeenstemming tussenbeide is in Nederland zelfs toegenomen over de afgelopen 60 jaar. Ook de congruentie van de politieke posities van partijen voor en na verkiezingen lijkt toegenomen, maar dit verband is niet statistisch significant. In ieder geval is geen sprake van een afname van de vervulling van het partijmandaat, hetgeen op basis van het cynisme over politieke partijen dat in het publieke debat steeds vaker wordt geuit zou zijn verwacht. Juist doordat kiezers niet meer gebonden zijn aan één partij, moeten partijen goed luisteren naar kiezersvoorkeuren en zich consistent opstellen. Want van draaiers houden we niet.

Het onderzoek laat ook zien dat er geen verschil is in de mate van congruentie van electorale en parlementaire competitie tussen Nederland en Groot-Britannië. Het Engelse politieke systeem wordt veel geprezen omdat er doorgaans een directe relatie is tussen verkiezingswinnaar en regeringspartij. Eén partij haalt de meerderheid en kan zijn programma uitvoeren, terwijl in Nederland compromissen moeten worden gesloten. Dit leidt er echter niet toe dat in Engeland de parlementaire posities van partijen meer lijken op de verkiezingsposities dan in Nederland. De Britse oppositie kiest namelijk vrijwel altijd voor de frontale aanval op de regering, zelfs als ze daarmee van haar eigen programma afwijkt. En de Britse regering, zo blijkt uit de analyse, neemt net als de Nederlandse vaak een wat gematigde positie in. Voor zover er problemen zijn met politieke partijrepresentatie, los je ze dus niet op door het politiek systeem radicaal te wijzigen. Veel belangrijker is het dat partijen reële verwachtingen scheppen en kiezers zich laten informeren over wat partijen willen.

De Nederlandse samenvatting van het proefschrift Political Parties and the Democratic Mandate is hier te downloaden.

zondag 19 juni 2011

Politiek: paradox van strijd en compromis

Op 22 juni hoop ik te promoveren tot doctor in de politicologie. Bij het onderliggende proefschrift 'Political Parties and the Democratic Mandate' behoren twaalf stellingen. In deze serie een korte toelichting op enkele van de meest prikkelende. De tweede aflevering: 'Politiek is een paradox van strijd en compromis'

Als je een politicoloog vraagt wat politiek is, krijg je waarschijnlijk een zorgvuldig uit het hoofd geleerde definitie. Politiek is "wie wat krijgt en hoe" (Laswell) of "de gezaghebbende allocatie van waarden" (Easton). Het heeft te maken met macht, met collectieve besluitvormingsorganen en in moderne context met de staat. Deze kenschetsen bevatten elk treffende elementen, al moet je er wel even over nadenken om ze precies te kunnen plaatsen. Het is naar mijn overtuiging zinvol om politiek te bekijken als de spanning tussen twee schijnbaar tegenstrijdige elementen: strijd en compromis. Wanneer je slechts één van deze twee elementen benoemt, verlies je de essentie.

Politiek is strijd, want het gaat om het nemen van beslissingen waarover doorgaans onenigheid bestaat. Als iedereen het altijd eens zou zijn, heb je geen politici nodig. In democratieën wordt deze strijd gevoerd op niet-geweldadige wijze. Niet voor niets noemde Clausewitz oorlog de "voorzetting van politiek met andere middelen". Politiek is strijd en het gaat ergens over.


Kiss in the middle illustration


De andere kant van politiek is het compromis. De doelstelling van (democratische) politiek is te komen tot collectieve besluitvorming. Zeker in een democratisch systeem kun je zo'n besluit niet nemen als er niet op z'n minst enige overeenstemming is. Strijd alleen is niet genoeg. Zelfs in niet-democratieën moeten leiders zich bewust zijn van de gevoelens van het volk. Dit is niet alleen noodzaak, het is ook wenselijk. Wij kiezen politici niet alleen omdat ze een bepaalde visie op zaken hebben, maar ook om die visies om te zetten in beleid. Daarvoor is draagvlak nodig.

Door sommigen worden strijd en compromis als aan elkaar tegengesteld gehouden. Zowel conservatieven als Burke alsook radicale democraten als Rousseau leggen bijzonder veel nadruk op het zoeken van het compromis, of de 'volkswil'. Zij streven vooral naar de eenheid. Populisten hebben in zekere zin dezelfde neiging: de elite negeert volgens hen stelselmatig de eisen van het volk. Natuurlijk, strijd tegen de elite is nu noodzakelijk, maar uiteindelijk moet de politiek niets anders doen dan het implementeren van de wensen van het volk.


Aan de andere kant staan degenen die politiek slechts als een afrekening met het zittende regime zien (Schumpeter). Volgens hen is democratie niets meer dan de mogelijkheid om de regering naar huis te sturen. Zo krijg je een pendule-democratie (Ed Van Thijn): van links naar rechts en weer terug. Er is een voortdurende strijd, maar van compromis is niet echt sprake, want een regering die steunt op een minderheid van de kiezers kan voor een korte periode haar agenda doorvoeren. Gelukkig is de werkelijkheid in landen met zo'n systeem weerbarstiger dan de theorie. Maar een eenzijdige focus op 'afrekenen' leidt enkel tot politieke poppenkast: vermakelijk, maar zonder doel.

Politiek bestaat bij de gratie van de spanning tussen strijd en compromis. Hoe worden verschillende voorkeuren en belangen (strijd) meegewogen in de vorming van collectief beleid (compromis)? Dit kruispunt is niet alleen bijzonder fascinerend, het is ook in normatieve zin van belang dat beide elementen in evenwicht worden gehouden. Politiek zonder strijd is de dood in de pot. Politiek zonder compromis mist zowel richting als doel. Partijen, in het bijzonder coalitiepartijen, moeten zich dat realiseren: verkoop het compromis niet als je eigen program. Doe als Bolkestein tijdens Paars-I en voer de strijd aan de hand van eigen overtuigingen, maar leg je als dat nodig is neer bij het gesloten compromis. Dát is eerlijke en heldere politiek.

zondag 12 juni 2011

Leuke politieke debatten zijn vaak het minst zinvol

Op 22 juni hoop ik te promoveren tot doctor in de politicologie. Bij het onderliggende proefschrift 'Political Parties and the Democratic Mandate' behoren twaalf stellingen. In deze serie een korte toelichting op enkele van de meest prikkelende. De eerste aflevering: 'Leuke politieke debatten zijn vaak het minst zinvol'


Het Nederlandse vragenuurtje is vaak behoorlijk saai. Kamerleden buitelen over elkaar heen om de mogelijkheid tot gratis publiciteit te benutten, maar het debat leidt meestal tot niks. De Tweede Kamer weet zelf ook niet precies meer wat ze met het vragenuur moet en experimenteert daarom met de opzet. Meer vragenstellers, maar minder interrupties. Geen aanvullende vragen, of toch weer wel. Varianten genoeg, maar onverdeeld succesvol is het niet. Nu vraagt de Tweede Kamer maar aan het publiek hoe ze zou moeten discussiëren.

Get Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.

Vaak wordt in Nederland bewonderend gekeken naar de Britse parlementaire politiek. In Westminster, daar wordt tenminste politiek debat op het scherpst van de snede gevoerd. De Britse Prime Minister's Questions geven vrijwel elke week politiek vuurwerk. Premier tegen oppossitieleider. Dat is pas leuk.

Leuk is het zeker. Maar de vraag is of het ergens toe leidt. Je kunt zeggen dat een debat zinvol is als het vermakelijk is of als het tenminste enig inzicht geeft in de politieke tegenstellingen. In dat opzicht gooit het Britse parlement hoge ogen. Maar de belangrijkste functie van het parlement is niet het verzorgen van een wekelijks cabaret of het vrijblijvend roeptoeteren van wat er in je opkomt na het lezen van de Telegraaf. Kamerleden moeten de regering op een zorgvuldige wijze controleren en goede wetten maken. Juist op deze punten bestaan nogal wat zorgen.




De kwaliteit van het politieke debat kan worden vastgesteld met behulp van de Discourse Quality Index, ontwikkeld door Steiner et al. Zij kijken naar de mate waarin politici respectvol met elkaar omgaan en bereid zijn te luisteren naar elkaars argumenten. Daarbij laten ze zien dat juist in consensusdemocratiën, zoals Zwitserland (en Nederland), maar ook in het Europees Parlement, de kwaliteit van het parlementaire debat hoger is dan in meerderheidsstelsels zoals Engeland. Juist in een respectvol debat wordt de regering echt scherp gehouden en de wetsvoorstellen kwalitatief beter. Niet voor niets dat veel Eerste Kamerleden juist deze argumenten noemen ter verdediging van de rol van hun instituut.

Het neerzetten van politieke verschillen is nodig. Maar het heeft weinig zin om net als in Engeland een ritueel gevecht tussen regering en oppositie te ensceneren. De oppositie is boos/verontwaardigd/verontrust en de regering zegt dat het allemaal wel mee valt/ze de problemen al aan het aanpakken zijn/ze daar nu zeker stevig mee aan de slag gaan. En dat is nog het beste geval. Tijdens het Britse vragenuur vangen de heren elkaar vooral professioneel vliegen af. Leuk, maar je schiet er niets mee op. Je lost de drang van Tweede Kamerleden om in het nieuws te komen niet op met een poging het vragenuur 'op te leuken'. We krijgen daarmee misschien meer vermaak op de dinsdagmiddag, maar geen beter functionerend parlement.

zondag 8 mei 2011

Factcheck: ‘Roemer beste fractievoorzitter’

De Volkskrant meldt dat de ‘gemiddelde Nederlander’ [sic] Roemer een 5,8 geeft voor zijn werk als fractievoorzitter in een peiling van Maurice de Hond. Hij scoort daarmee het beste van alle fractievoorzitters. Dat Roemer het goed doet bij de mensen, zal voor velen geen verrassing zijn: hij slaagt erin om het gedachtegoed van zijn partij op een eenvoudige, maar effectieve wijze naar voren te brengen. Probleem van de conclusies van de Volkskrant is echter, dat Maurice de Hond helemaal geen onderzoek heeft gedaan naar het oordeel van mensen over het werk van de fractievoorzitters.

Eens in de zoveel tijd vraagt Peil.NL zijn panelleden naar hun vertrouwen in politici. Mensen kunnen dat vertrouwen aangeven op een schaal van 10 (Heel erg hoog) tot 1 (Heel erg laag)*. Er wordt dus niet gevraagd naar een beoordeling van de manier waarop de fractievoorzitters hun werk doen, zoals de Volkskrant suggereert. Hoewel vertrouwen in een politicus ongetwijfeld gerelateerd is aan de manier waarop hij zijn functie vervult, zijn dit twee verschillende zaken. Je kunt bijvoorbeeld best waardering hebben voor de manier waarop Van der Staaij (SGP) zijn functie uitoefent, zonder dat je een groot vertrouwen in de man hebt. 

Vraag over politiek vertrouwen, zoals gepresenteerd door Peil.nl.

Juist als het om vertrouwen gaat, is de politieke kleur van de respondent van grote invloed op het antwoord. Zo geven SP-kiezers Emile Roemer gemiddeld genomen een 8, terwijl PVV-stemmers slechts een 3,7 (zij geven sowieso lage cijfers, behalve voor Wilders). Blok (VVD) krijgt naast een 6,8 van zijn eigen kiezers een 6 van CDA-stemmers, terwijl SP’ers en PvdA’ers hem slechts een 3,3 geven. Linkse kiezers hebben over het algemeen meer vertrouwen in linkse politici dan in rechtse – bij rechtse kiezers is dat andersom.

Dit patroon blijkt nog iets gecompliceerder. Met behulp van een multidimensional unfolding analyse heb ik fractieleiders en (beschikbare) kiezersgroepen in een figuur geplot, zodat kiezersgroepen dicht bij politici staan, waar ze (gemiddeld genomen) veel vertrouwen in hebben. Kiezersgroepen staan ver af van politici die ze niet of nauwelijks vertrouwen. Dit geeft een redelijk vertrouwd beeld: horizontaal zien we de partijen ongeveer van links naar rechts. Verticaal zien we echter een onderscheid tussen SP, PvdD en PVV aan de ene kant en die van de traditionele partijen aan de andere. PVV-kiezers hebben namelijk veel minder vertrouwen in Cohen en Sap dan in Roemer. CDA’ers hebben meer vertrouwen in Roemer, dan in Wilders. Links-rechts is dus niet de enige factor van belang bij vertrouwen in de fractieleiders: ook pro- en anti-Wilders dynamiek lijkt een belangrijke rol te spelen. 

Vertrouwen in politici: afstand tussen kiezersgroepen en politici worden zo goed mogelijk weergegeven in bovenstaand figuur. PvdA-kiezers hebben bijvoorbeeld een kleine afstand (= veel vertrouwen) in Cohen en Roemer, en een grote afstand tot Wilders (=weinig vertrouwen).


Is Roemer de beste fractievoorzitter in de ogen van de ‘gemiddelde Nederlander’? Wellicht, maar dat blijkt niet uit het onderzoek van De Hond. Vertrouwen in politici lijkt, althans op het niveau van kiezersgroepen, samen te hangen met de politieke voorkeuren, zowel in termen van links-rechts als in termen van voor- of afkeur van de PVV.


* Overigens ontbreekt een optie 'Weet niet/ken ik niet', wat het lage vertrouwen in Van der Staaij en Thieme zou kunnen verklaren. Want hoeveel vertrouwen kun je aangeven te hebben in iemand die je niet kent?

donderdag 5 mei 2011

SP trouwste bondgenoot van de PVV?

Volgens Elsevier is de SP de trouwste bondgenoot van de PVV in de Tweede Kamer. De partij zou het vaakst van alle oppositiepartijen meestemmen met de PVV. Elsevier-columnist Syp Wynia trekt in een bijgevoegd filmpje een snelle conclusie: SP en PVV kunnen maar beter zo snel mogelijk fuseren, want grote inhoudelijke verschillen zijn er niet. Als het inderdaad waar zou zijn dat de SP en de PVV vrijwel altijd hetzelfde stemmen, valt daar misschien iets voor te zeggen. Het is echter totale onzin.

Het achtergrondartikel in Elsevier weekblad waarnaar wordt verwezen geeft de achterliggende cijfers. Het betreft de analyse van het stemgedrag in de Tweede Kamer in de periode oktober 2010 tot maart 2011, in totaal 987 moties, in samenwerking met de Dienst Informatievoorziening Tweede Kamer. Deze cijfers zijn niet vrijelijk beschikbaar, maar zijn wel te reconstrueren aan de hand van de Handelingen van de Tweede Kamer. Wij komen in de periode 14 oktober 2010 tot 1 maart 2011 op in totaal 961 moties – niet precies hetzelfde aantal als Elsevier, maar het is onwaarschijnlijk dat dit verschil tot wezenlijk andere inzichten leidt.

Stemt de SP vaak hetzelfde als de PVV? Nee. De SP stemde in 35% van de stemmingen over moties hetzelfde als de PVV, dit is minder dan VVD, CDA, SGP, ChristenUnie, D66 én PvdA. Alleen de PvdD en GroenLinks stemden nog vaker anders dan de PVV. De echte bondgenoten van de PVV zijn CDA en VVD. Dat is ook niet verwonderlijk: de PVV steunt het kabinet van CDA en VVD omdat ze inhoudelijk verwant zijn. De PVV week soms wel af van het stemgedrag van CDA en VVD, maar minder vaak dan D66 dit deed tijdens kabinet Balkenende-II.


De claim van Elsevier dat de SP de sterkste bondgenoot van de PVV is, is gebaseerd op de stemmingen waarin de coalitie verdeeld was (of beter gezegd: waarin de PVV afwijkend stemde van CDA en VVD). In deze gevallen stemde de SP volgens de gegevens van Elsevier 86 keer mee met de PVV en 79 keer met CDA en VVD. Maar de SP is niet de enige partij die in zo’n geval regelmatig met de PVV meestemde. Onderstaande grafiek presenteert de gevallen waarin de coalitie verdeeld was (dus ook als CDA of VVD niet hetzelfde stemmen) . Het beeld is hetzelfde als dat bij Elsevier, alleen de Partij voor de Dieren stemde in onze analyse even vaak mee met de PVV als de SP dat deed. Geen van de partijen stemde in meer dan de helft van de gevallen met de PVV mee, ook de SP niet. Als ze niet met de oppositie mee stemt staat de PVV dus relatief geïsoleerd. De verschillen in ‘steun’ voor de kant van de PVV zijn niet erg groot: bij een conflict in de coalitie stemde ook GroenLinks en de PvdA in bijna 40% van de gevallen met de PVV mee: toch niet echt partijen waartussen een fusie voor de hand ligt.


Een betere maat voor ‘bondgenootschap’ met de PVV is de mate waarin partijen moties waarvan de PVV eerste indiener was, steunden. Staat een partij achter de voorstellen van een andere partij? De SP deed dit het vaakst: in iets meer dan 50% van de gevallen steunde de SP de PVV-moties. Dit is iets vaker dan andere partijen, maar de verschillen zijn niet groot: de PvdD steunde ruim 45% van de PVV-moties en de PvdA meer dan 40%. Dat VVD en CDA niet vaker voor PVV-moties stemden komt omdat de PVV vooral moties indiende als zij het oneens is met het kabinet; partijen dienen bijna nooit moties in als zij het eens zijn met het kabinet. Dit geeft dus een overschatting van de overeenkomsten tussen SP en PVV en een onderschatting van de overeenkomsten tussen PVV en CDA/VVD. Het is zeker waar dat de SP op een aantal terreinen vaker voor PVV-voorstellen stemde dan andere oppositiepartijen, maar de verschillen tussen SP en andere oppositiepartijen zijn niet bijzonder groot.



Als PVV en SP echt twee handen op een populistische onderbuik zouden zijn, dan zou de partij ook de moties van de SP vaak moeten hebben gesteund. Dit is niet het geval: minder dan 30% van de SP moties werd door de PVV gesteund. Dit is weliswaar duidelijk vaker dan CDA en VVD, maar ongeveer hetzelfde als de steun van de SGP voor PVV-moties. Alle andere partijen steunden SP-moties veel vaker dan de PVV dat deed. Met name linkse partijen als de PvdD en GL tonen een zeer grote verwantschap met de SP. De SP stelt met name noties voor die onacceptabel zijn voor het CDA en de VVD die de PVV dus niet kan steunen zonder haar rechtse bondgenoten in het tegen zich in het harnas te jagen.



Op welke onderwerpen zijn de PVV en de SP verwant? We kunnen moties en amendementen die zijn ingediend tijdens de begrotingsbehandelingen op grond van hun nummer indelen naar ministerie: van ELI (Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) tot VWS (Volksgezond, Welzijn en Sport). Voor elk ministerie kijken we weer in welke mate partijen hetzelfde stemmen. PVV en de SP zijn het het meest eens zijn op het gebied van volksgezondheid: in iets meer dan 50% van de stemmingen over moties en amendementen die ingediend zijn over de VWS-begroting stemmen de PVV en de SP hetzelfde. De PVV stelt zich wat betreft zorg en ouderen relatief sociaal op. De PVV en de SP stemmen het minst vaak hetzelfde als het over economische zaken gaat: daar stemmen ze in bijna 20% van de gevallen hetzelfde. Het gaat hier om onderwerpen als marktwerking. Het verzet tegen marktwerking is de kern van de linkse politiek van de SP, maar dit vindt weinig weerklank bij de PVV, zo bleek onder andere bij de stemming over de verplichte aanbesteding van het openbaar vervoer in de steden. De SP en PVV stemmen ook vaak hetzelfde over Binnenlandse Zaken (Antillianen, ambtenaren en inburgering) en Defensie (militaire missies). Over Buitenlandse Zaken (Israel of ontwikkelingssamenwerking) en Veiligheid zijn de partijen het juist vaak oneens. De PVV kan dus niet zonder meer links op sociaaleconomisch terrein genoemd worden: ze is misschien wel sociaal op het gebied van zorg, maar kiest -anders dan de SP- niet voor een sterk overheidsingrijpen in de economie.

ELI: stemmingen over moties en amendementen ingediend bij de begroting EZ, LNV en Financiën; BuZa: Buitenlandse Zaken; J&V: Justitie; I&R Verkeer & Waterstaat, VROM en het Infrastructuurfonds; OCW: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; VWS: Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Def: Defensie; BZK: Binnenlandse Zaken, Koninkrijksrelaties, Wonen, Wijken en Integratie en Algemene Zaken; VWS: Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Jeugd & Gezin.

Het stemgedrag van de SP en PVV in de afgelopen periode was verre van identiek. PVV en SP stemmen minder vaak samen dan PVV en PvdA. Alleen als het gaat om moties van de PVV en stemmingen waarin de coalitie verdeeld was, vonden de SP en de PVV elkaar relatief vaak. Dit zijn de gevallen waarin de PVV afweek van de regeringspartijen en de SP haar kans schoon zag om ‘in te breken’ op de coalitie. Ook andere partijen deden dit. Dat de SP wat vaker optrekt met de PVV dan bijvoorbeeld PvdA en GroenLinks lijkt voornamelijk een gevolg van hun posities inzake gezondheidszorg waarbij de SP en PVV beide een ‘sociaal’ standpunt innemen. Dit neemt niet weg dat SP en PVV op veel meer thema’s verdeeld zijn en dus anders stemmen. Waar het bijvoorbeeld gaat om economische zaken stemt de PVV heel anders dan de linkse partijen.

Het “wilde idee” van Wynia dat SP en PVV wel zouden kunnen fuseren omdat ze “zoveel op elkaar lijken” raakt kant noch wal. Alsof Elsevier en de Groene Amsterdammer wel samen zouden kunnen gaan omdat ze beiden wel eens een kritisch artikel over de overheid schrijven. Als het stemgedrag in de Tweede Kamer al aanleiding zou geven tot een fusie, is dat een fusie op rechts: de coalitie is het in verreweg de meeste gevallen roerend eens.

Dit artikel is samen geschreven met Simon Otjes en verschijnt gelijktijdig ook op zijn weblog.


Update 6-5: Op verzoek* maken we de dataset die we hebben verzameld en gebruikt voor de bovenstaande analyse openbaar, zodat iedereen onze gegevens kan controleren en de analyse kan repliceren. De gegevens zijn verzameld met behulp van een script dat stemmingen op officielebekendmakingen.nl download en verwerkt. Mocht je onvolkomenheden tegenkomen in de data, dan horen we dat graag. De dataset is beschikbaar onder een Creative Commons 3.0 Attribution-ShareAlike Licentie. Vermeld bij gebruik de namen en websites van Tom Louwerse (http://www.tomlouwerse.nl) en Simon Otjes (http://www.simonotjes.nl). 


* van ene 'Anoniem'

donderdag 14 april 2011

Halfjaar kabinet-Rutte: terug bij af?

In oktober 2010 tradt het meest rechtse kabinet in jaren aan: een regering met ministers van VVD en CDA, in het parlement mede gesteund door de PVV. In een aantal opzichten ging het dit kabinet voor de wind. De goedgemutste jonge premier Mark Rutte zorgde voor een verfrissend geluid vanaf de regeringszetels tijdens de belangrijke parlementaire debatten. Het kabinet kwam met maatregelen waarbij rechts Nederland onder leiding van VVD-kamerlid Aptroot de vingers aflikte: 130 op de snelweg (sommige dan), een (aangekondigde) hervorming van de politie en er mag weer gerookt worden in kleine cafés zonder personeel. Na het aftreden van het kabinet steeg dan ook de steun voor de drie coalitiepartijen in de peilingen, van iets meer dan 50% naar zo'n 53% (ongeveer 80 zetels). Maar na de affaire-Lucassen c.s., de missie in Kunduz en in de aanloop naar de Statenverkiezingen verloren deze drie partijen steeds meer terrein: nu scoren de partijen volgens de beste inschatting* minder goed dan bij de laatste verkiezingen.

De zwarte geeft de schatting van het stemmenpercentage voor VVD, PVV en CDA gezamenlijk op elke dag. Het grijze gebied geeft een 95% credibility interval (foutmarge). De gekleurde ronde bolletjes geven de uitslag van de verschillende peilingen aan: een rode P voor Peil.nl, een blauwe B voor Politieke Barometer en een groene N voor TNS NIPO.

VVD
De VVD doet het als enige coalitiepartij nog goed. De partij verloor sterk tijdens de onderhandelingen voor Paars-Plus (niet echt een favoriet bij de VVD-kiezers), maar steeg daarna gestaag door naar een hoogtepunt van 23,5% (+- 36 zetels). Met name tijdens de campagne leek de VVD het lastig te hebben, maar de laatste weken wint de partij weer terrein.



PvdA
De grootste oppositiepartij PvdA staat nog steeds op verlies ten opzichte van de Kamerverkiezingen, maar lijkt het diepste dal te hebben gehad. Sinds december is de partij bezig met een herstel, wat stevig doorzette rondom de besluitvorming inzake Kunduz. Ook de verkiezingscampagne verliep redelijk gunstig voor de PvdA, hoewel er een korte afvlakking lijkt te zijn in de laatste 2 weken voorafgaande aan die verkiezingen.


PVV
Bij de afgelopen Kamerverkiezingen werd de steun voor de PVV stevig onderschat in de peilingen (met zo'n 3%). Daar lijkt nu niet zozeer sprake van te zijn (analyse niet getoond), maar het is lastig om dat precies vast te stellen. Wat wel duidelijk is dat Wilders de goede scores van zijn partij in de zomer niet heeft weten vast te houden. Sinds de affaire-Lucassen is er sprake van een stevige afname van de steun. Na een kortstondig herstel in de eerste maanden van dit jaar, lijkt Wilders' steun opnieuw af te nemen. Hij scoort volgens de schatting nu rondom de score van 9 juni 2010.

CDA 
De steun voor het CDA blijft kwakkelen. De partij verloor sterk tijdens de onderhandelingen over de regering (zeker rondom het gedoe met de 'drie dissidenten'). Daarna was er sprake van een gedeeltelijk herstel, maar dit wil niet echt doorzetten. De afgelopen maanden is er een duidelijke golfbeweging te zien in de steun voor het CDA. Momenteel scoort de partij iets onder de 11% (+- 17 zetels).



Andere partijen

De SP lijkt garen te spinnen bij het kabinet. De partij bleef aanvankelijk hangen op het niveau van de laatste verkiezingen, maar staat daar de laatste maanden steeds ruim een procent boven. Ook D66 doet het goed en wint als de peilingen bewaarheid zouden worden nu ongeveer 1,5%punt ten opzichte van de vorige verkiezingen. GroenLinks deed het aanvankelijk goed, maar verloor duidelijk rondom de kwestie Kunduz. Er lijkt nu een licht herstel op te treden. De steun voor ChristenUnie en SGP is vrij stabiel (SGP is lastig te schatten met deze methode omdat Peil.NL en TNS-NIPO geen percentages, maar alleen zetels presenteren). De PvdD laat een golfbeweging zien rondom de huidige twee zetels.


*De genoemde cijfers zijn gebaseerd op een 'pooling the polls' model, waarbij peilingen van Peil.NL (Maurice de Hond), Synovate (Politieke Barometer) en TNS-NIPO worden gecombineerd tot een (dagelijkse) schatting van de politieke steun voor de politieke partijen. Meer uitleg staat op de site van Simon Jackman, voor wie niet bang wordt van termen als 'random walk model', 'prior' en 'Markov Chain Monte Carlo estimation'. Kortgezegd: als je de gegevens van drie peilingen combineert, weet je meer dan van een enkele peiling. Je kunt ook aangeven hoe 'zeker' de gepeilde percentages zijn (een 95% interval staat grijs geplot in de figuur).












vrijdag 18 maart 2011

Kernenergie: veroordeeld tot de status quo

Nut en noodzaak van kernenergie staan net als 25 jaar weer stevig ter discussie na een ernstig ongeluk in een kerncentrale. Net als in het midden van de jaren '80 raakte kernenergie de afgelopen jaren steeds meer geaccepteerd, maar de gebeurtissen in Japan lijken dat hernieuwde vertrouwen weer een stevige dreun te hebben gegeven. Of u dat nu onkies vindt of niet, het debat over de wenselijkheid van atoomstroom staat weer op de agenda.

Los van de vraag naar mijn persoonlijke voorkeur lijken er twee houdbare posities in dit debat te zijn. Aan de ene kant staan tegenstanders die kernenergie afwijzen vanwege veiligheids- en afvalproblemen en omdat het een transitie naar echt duurzame energieopwekking alleen maar tegen zou houden. Aan de andere kant staan voorstanders die wijzen op de relatief geringe CO2-uitstoot van kernenergie, olie-afhankelijkheid en beargumenteren dat de risico's van kernenergieproductie en opslag van radioactieve materialen goed hanteerbaar zouden zijn. Tegenstanders willen zo snel mogelijk af van kerncentrales, voorstanders willen graag nieuwe centrales bouwen, waarbij zij er (terecht) op wijzen dat deze veiliger zijn dan oude centrales. Diezelfde voorstanders zouden dan overigens ook moeten beargumenteren dat oude centrales moeten worden vervangen, in plaats van steeds langer opengehouden.

De slinger van de publieke opinie zorgt er echter voor dat geen van beide keuzes echt wordt gemaakt. De kerncentrale in Borselle zou in 2004 gesloten worden, maar een volgend rechts kabinet draaide dit besluit terug. In Duitsland tot voor kort precies hetzelfde verhaal. Aan de andere kant maken ernstige incidenten als dat in Japan het ook zeer lastig om de handen op elkaar te krijgen voor nieuwe centrales. Het resultaat is dat de status quo regeert: we zitten opgescheept met een draak van een compromis. Relatief veel oude centrales die steeds maar niet gesloten kunnen worden en dus steeds maar weer worden opgelapt.

Er is behoefte aan een lange-termijnvisie die over een langere periode consequent wordt uitgewerkt. Die visie moet op lange termijn uitmonden in een volledig duurzame energievoorziening. Als kernenergie daar (in de transitieperiode) deel van zou uitmaken - liever niet - dan wel op een moderne manier. Als we onszelf veroordelen tot de status quo, bewijzen we onszelf en de toekomstige generaties allerminst een dienst.

zondag 13 maart 2011

Analyse verkiezingsuitslag in Leiden: coalitie verliest licht

De uitslag van de Provinciale Statenverkiezingen in Leiden is geen nieuws meer. D66 werd net aan de grootste partij in de sleutelstad, twee stemmen voor de PvdA. Dankzij een dataset met een uitslag uitgesplitst per stembureau en kandidaat, die de gemeente Leiden mij ter beschikking stelde, kunnen we nu echter ook wat meer zeggen over de spreiding over de verschillende wijken en de Leidse voorkeursstemmen.



Het algemene beeld in de laatste zes verkiezingen in Leiden is duidelijk: D66 wint, de PVV heeft voet aan de grond gekregen en het CDA verliest dramatisch. De christen-democraten verloren sinds de Tweede Kamerverkiezingen in 2006 steeds terrein, tot een dieptepunt van 5,9% van de Leidse stemmen bij de Provinciale Statenverkiezingen. Het CDA doet het in Leiden dus nog zelfs iets slechter dan bij de Tweede Kamerverkiezingen in juni, terwijl de opkomstbereidheid van de christendemocratische kiezer doorgaangs hoger is. De ChristenUnie deed het ook niet erg goed, maar won wel licht ten opzichte van juni 2010. De grote winnaars, D66, wisten weer een sterke uitslag te realiseren in Leiden, duidelijk hoger dan in juni bij de Tweede Kamer, maar tevens duidelijk lager dan bij de Europese Verkiezingen (2009) en de laatste Gemeenteraadsverkiezingen. De PvdA deed het bij die laatste twee verkiezingen juist relatief slecht in Leiden, maar is nu in Leiden weer ongeveer op het niveau van de provincieverkiezingen van 2007. GroenLinks evenaart de uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen in juni, maar weet de goede uitslag van de Europese verkiezingen niet te evenaren. De SP lijkt weer uit een dal te klimmen en boekt de beste uitslag van de laatste vier verkiezingen, hoewel onder de topscore uit 2007.

De PVV wist in Leiden, net als in de rest van het land, haar topscore van juni niet te evenaren en viel terug tot onder de 10%. Dat lijkt ook in Leiden met de opkomst samen te hangen: in stembureaus waar meer kiezers kwamen opdagen, stemden significant minder mensen op de PVV (correlatie -0.57). De PVV verloor ten opzichte van juni vooral in de wijken waar ze het eerst goed deed: Leiden Noord en de Stevenshof (in beide wijken van ongeveer 25% naar ongeveer 15). Bij de VVD is een soortgelijke terugval ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezingen te zien, zij het minder sterk. Al met al kregen de landelijke coalitiepartijen in de sleutelstad dus minder stemmen dan bij de Tweede Kamerverkiezingen in juni. Of dat nu komt doordat mensen van mening zijn veranderd of omdat de opkomst onder VVD-, CDA- en PVV-kiezers lager is, kunnen we op basis van deze cijfers moeilijk zeggen, maar blijkbaar is het enthousiasme onder deze kiezers in ieder geval beperkt.
Uitslag in Leiden uitgesplitst naar politieke blokken

Stemgedrag per wijk
Net als in eerdere verkiezingen waren de kiezers voor de verschillende partijen niet gelijk over de stad verdeeld. In de onderstaande tabel staan de percentages voor elke partij in de negen kiesdistricten van Leiden (en stembureau Leiden Centraal). De gekleurde balkjes geven aan waar partijen het relatief goed deden. Zo scoorde D66 in alle wijken boven de 10 procent, maar wist ze vooral in de Binnenstad en het Boerhaavedistrict goed te scoren. Hetzelfde patroon zien we bij GroenLinks, terwijl PVV en SP juist in deze wijken zwak scoren: zij doen het goed in Noord en de Stevenshof. De PvdA houdt een beetje in het midden: goede scores in Noord/Stevenshof, maar ook in de wijken in het Zuiden en Zuid-Oosten van de stad. Nieuwkomer 50PLUS doet het net als CDA en VVD goed in de wijken buiten het centrum.
Stempercentages Provinciale Staten 2001 per wijk

De gegevens uit de tabel zijn gevisualiseerd in onder staand figuur (met behulp van een correspondentieanalyse). In deze 'ruimte' staan zowel partijen als wijken. Als een partij dicht bij een wijk staat, betekent dit dat de partij het relatief goed deed in die wijk. Staan ze ver af van een wijk, dan deed de partij het daar relatief slecht. De gegevens uit de tabel kunnen niet perfect worden weergegeven in het tweedimensionale figuur, maar geeft toch een redelijke indruk van de patronen. Er lijken twee tegenstellingen een rol te spelen. Aan de ene kant zijn er 'volkswijken' tegenover 'liberale wijken': ofwel wijken waar volkspartijen als PVV, SP (en nu ook weer de PvdA) het relatief goed deden (bijv. Stevenshof, Mors, Noord), en wijken waar D66, GroenLinks en in mindere mate de VVD goed scoorden (m.n. Binnenstad, Boerhavedistrict en Stationsdistrict). Daarnaast lijkt er een tegenstelling tussen de woonwijken aan de rand van de stad, waar CDA, VVD en 50PLUS goed scoorden, en de wijken die in of dicht bij het centrum liggen. De hier gevonden stempatronen lijken erg op die bij de Gemeenteraadsverkiezingen en Tweede Kamerverkiezingen van vorig jaar. 



Voorkeursstemmen
Van de ruim 54.000 stemmen in Leiden werden er uim 25.500 niet op de lijsttrekker uitgebracht. In de top-10 van voorkeursstemmen zien we daarom ook een aantal runners-up terug. Bij de nummers twee van PvdA en VVD zal hun Leidse achtergrond daarbij vast een rol hebben gespeeld. De nummer twee van GroenLinks, afkomstig uit Voorschoten, wist in Leiden zelfs meer stemmen te halen dan haar lijsttrekker. GroenLinkers zijn dan ook notoire hoogste-vrouw stemmers. 

Voorkeursstemmen in Leiden (PS 2011)
In de top-10 van Leidse kandidaten doen zoals te verwachten vooral de hooggeplaatste politici het goed. Desalniettemin deden bijvoorbeeld Eva de Bakker (SP) en Joost Röselaers (D66) het behoorlijk goed voor kandidaten die vijfde respectievelijk achtste waren geplaatst. Opvallend is ook de goede score van raadslid en D66-kandidaat nummer 42, Elze 't Hart. 

Voorkeursstemmen in Leiden op Leidse kandidaten (PS 2011)

De verdeling tussen mannen en vrouwen was opvallend gelijk. In totaal stemde 50,5% van de Leidse kiezers op een man en 49,5% op een vrouw. Dit vertaalt zich echter niet in een gelijke verdeling in de staten, waar 'slechts' 19 van de 55 gekozenen vrouw zijn.

Met dank aan de gemeente Leiden voor het beschikbaar stellen van de data. Zie de gemeentelijke website voor meer verkiezingsuitslagen.