Pages

Posts tonen met het label verkiezingsprogramma. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verkiezingsprogramma. Alle posts tonen

donderdag 20 mei 2010

De CPB-ruimte: een grafische presentatie van de doorrekening

In de vandaag gepresenteerde CPB-doorrekening van de verkiezingsprogramma’s zit voor ieder wat wils. De VVD presenteert zich bijvoorbeeld als financieel solide, de SP met koopkrachtbehoud, GroenLinks als de milieupartij, D66 op onderwijs en het CDA als solide en solidair. Eigenlijk elke partij was wel tevreden met de doorrekening, behalve de PVV die het onterecht vond dat de ‘rode rekenmeesters’ veel van hun bezuinigingen als onhaalbaar had geweigerd. En in zekere zin klopt dat ook wel: de doorrekeningen geven weer welke keuzes partijen maken en tot welke uitkomsten dat leidt. Veel van die uitkomsten zijn niet erg verbazingwekkend: GroenLinks doet het goed op groen, de VVD op bezuinigen en de SP op banen in de zorg.

Eigenlijk zijn de doorrekeningen van het CPB redelijk goede indicatoren van de posities van partijen. Je kunt die gegevens dan ook gebruiken voor een grafisch model van partijposities. Dat model vat natuurlijk niet alle verschillen tussen partijen – moreel-ethische onderwerpen vinden bijvoorbeeld geen weerslag in de doorrekeningen – maar geeft wel een aardig inzicht van de keuzes van partijen op sociaal-economisch terrein (inclusief milieubeleid).

Voor het model hieronder maak ik gebruik van de overzichtstabel in het CPB-rapport (pagina 19), die met een principale componentenanalyse is geanalyseerd. Met deze techniek kun je onderzoeken in hoeverre de verschillende indicatoren met elkaar samenhangen, bijvoorbeeld dat de ontwikkeling van natuurkwaliteit en –kwantiteit met elkaar samenhangen. Met PCA kun je zogenaamde ‘onderliggende dimensies’ zoeken, in het geval van natuurkwaliteit/kwantiteit bijvoorbeeld investeringen in milieu. Daarnaast kun je de partijen in de ruimte plaatsen:

Laten we eerst kijken naar de positie van de partijen. Onderaan staan GroenLinks, de SP – en iets verder naar boven de PvdA. Deze partijen behouden of verbeteren bijvoorbeeld de koopkracht, bezuinigen tot 2015 nog relatief weinig, doen het allen relatief goed op milieubeleid en creëren welvaartswinst de woningmarkt. In het grijs staan de indicatoren afgedrukt: hoe dichter een partij bij een indicator staan, hoe hoger de score van die partij daarop. GroenLinks doet het dus bijvoorbeeld goed op het gebied van de natuurkwaliteit; de VVD boekt een grote verbetering van het EMU-saldo in 2015. De PvdA staat redelijk dicht in de buurt van een cluster van D66 en de drie christelijke partijen (CDA, SGP, CU). De programma’s van die partijen hebben allemaal redelijk vergelijkbare effecten, zeker als je ze afzet tegen VVD, PVV, SP en GroenLinks. De VVD staat helemaal bovenaan de figuur. Deze partij bezuinigt het sterkst in de komende kabinetsperiode, maar doet het bijvoorbeeld slechter op het gebied van milieu. Rechtsboven staat de PVV. Die partij komt in een aantal opzichten overeen met de VVD (niet milieubewust, autogebruik wordt niet teruggedrongen), maar in sommige zaken ook met de SP (weinig bezuinigingen op langere termijn, kleine huurstijging, meer personeel zorg).

In het model kun je eigenlijk twee onderliggende dimensies onderscheiden. Van boven naar beneden zijn partijen geordend volgens een klassiek economisch links-rechts patroon: GroenLinks-SP-PvdA-CCU-D66-SGP-CDA-PVV-VVD. Dat patroon is ook terug te zien in analyses van de politieke ruimtes van het Kieskompas en de StemWijzer. Horizontaal is een ander patroon te zien, namelijk een verschil tussen partijen die bereid zijn te hervormen en de partijen die dat niet zijn (m.n. PVV en SP). Dat leidt er bijvoorbeeld toe dat alle partijen de ‘houdbaarheid’ van de staatsfinanciën met zo’n 30 tot 40 miljard verbeteren, maar SP en PVV slechts met 16 à 17 miljard.

Partijen zijn in te delen in vier ‘typen’ op basis van hun sociaal-economische profielen. Er zijn linkse hervormers (GroenLinks en PvdA, in mindere mate D66), die bereid zijn de sociale zekerheid te hervormen, maar wel met oog voor lagere inkomens en het milieu. De linkse conservatieven van de SP hebben ook oog voor milieu en lagere inkomens, maar zijn veel minder bereid tot verregaande hervormingen. De rechtse conservatieven van de PVV willen ook die hervormingen niet, maar dan in het belang van de gewone man met een auto voor de deur. Ten slotte zijn er de rechtse hervormers van VVD, CDA en SGP. Zij willen snijden in de sociale zekerheid om de staatsfinanciën snel op orde te krijgen. Daarin gaat de VVD overigens wel duidelijk het verste. De ChristenUnie staat dermate in het midden dat ze eigenlijk in geen van de vier blokken is in te delen.

Op basis van de sociaal-economische verschillen tussen de partijen, lijkt een middencoalitie het meest haalbare. D66, SGP, CDA, ChristenUnie en PvdA staan relatief dicht bij elkaar. Of deze partijen het op andere onderwerpen ook eens kunnen worden is echter de vraag. D66 zal waarschijnlijk ook niet veel zin hebben om de oude coalitie van CDA, PvdA en ChristenUnie opnieuw aan een meerderheid te helpen. In dat geval komt één van de andere vier partijen in beeld. Zowel een linkse (PvdA/GL/SP/D66) als rechtse (VVD/CDA/PVV) coalitie stuit daarbij op het bezwaar dat één van de partijen niet echt hervormingsgezind is. Het alternatief van Paars+ (PvdA/VVD/D66/GL) is wel bereid tot hervormingen, maar is het weer sterk oneens over de richting, met name GroenLinks en de VVD. Dat wordt dus nog een lastige formatie.

zondag 18 april 2010

Het slagveld 'bestuurlijke vernieuwing'

Partijleider Femke Halsema was niet blij zondagmiddag tijdens het partijcongres, toen die vergadering het referendum uit het verkiezingsprogramma schrapte. Luttele minuten voordat zij het lijsttrekkerschap voor de komende verkiezingen accepteerde, werd één van haar wetgevingsinitiatieven rücksichtlos getorpedeerd. DWARS-voorzitter en referendum-killer Diederik ten Cate kreeg dan ook stevige kritiek van Halsema, nadat het congres het referendum met drie stemmen verschil had verworpen. Ik kan me ook zo voorstellen dat het -op z'n zachtst gezegd- niet zo leuk is als je je jarenlang in zet voor een hervorming, die je partij vervolgens op een zonnige zondagmiddag verwerpt.

De recalcitrante houding van het congres kwam niet alleen bij het referendum naar voren. Ook de voorstellen op het aantal Kamerleden te beperken tot 100 en het voorstel voor een zogenaamd coalitiestem sneuvelden. Dit geeft aan dat binnen GroenLinks een duidelijke visie ontbreekt over de inrichting van het openbaar bestuur. De huidige voorstellen waren een wat vreemde combinatie van een streven naar efficiency en een snufje radicale democratisering: 'Participatie, maar het mag niet te veel kosten'. Het congres liet zich dan ook niet overtuigen door de op z'n zachtst gezegd zwakke argumentatie van het partijbestuur op deze punten ( met Kathatlijne Buitenweg als positieve uitzondering).

Dit betekent wel dat GroenLinks op het gebied van de bestuurlijke vernieuwing vooral veel niet wil. Geen referendum, geen beperking van het aantal Kamerleden, geen coalitiestem. En de afschaffing van de Eerste Kamer werd "voor de poorten van de hel weggesleept", zoals Halsema het omschreef. En er staat een stevig punt in het program over de hervorming van het middenbestuur. Maar ook daar is verdere precisering noodzakelijk. En de gekozen burgemeester en commissaris der Koningin bleven staan. Maar al met al was het toch een behoorlijk slagveld bij de GroenLinkse bestuurlijke vernieuwing. Het in het programma verwoordde 'brede maatschappelijk debat' blijkt dus vooral binnen de partij behoorlijk noodzakelijk te zijn.

zaterdag 17 april 2010

Waarom de Kamer 150 leden kreeg (en moet houden)

In 1956 werd in tweede lezing de grondwetswijziging aangenomen om het aantal Tweede Kamerleden uit te breiden naar 150 leden. De omvang van de Kamer was sinds 1887 niet meer gewijzigd, terwijl de (kiesgerechtigde) bevolking sterk was toegenomen. Vandaag de dag gaan er juist stemmen op om de Tweede Kamer weer terug te brengen naar 100 leden (o.a. door VVD, PvdA en GroenLinks). De argumenten variëren van 'politici kosten te veel geld', 'we moeten allemaal bezuinigen' tot de verwachting dat een kleinere Kamer beter op hoofdlijnen kan debatteren. Juist in het licht van deze discussie is het goed om eens te kijken wat in de jaren 1950 de redenen waren om het aantal leden te vergroten naar 150.

De memorie van toelichting van het eerste wetsvoorstel van de regering bevatte vier redenen voor de voorgestelde uitbreiding:
1. Zwaar werk Het Kamerwerk was te zwaar geworden voor individuele Kamerleden, maar ook voor de Kamer als geheel.
2. Internationale verplichtingen Op Kamerleden zou waarschijnlijk een groter beroep worden gedaan i.v.m. parlementair werk in internationale organen (bijv. Europees Parlement).
3. Band met burgers Het contact met de maatschappij kan verbeteren door het aantal Kamerleden uit te breiden.
4. Vergelijking met buitenland Het Nederlandse parlement is al zeer bescheiden van omvang.
De Kamer liet zich uiteindelijk overtuigen door de redenering van de regering. Alle partijen, behalve VVD en CHU, stemden vóór de uitbreiding.

Een goede reden om weer terug te gaan naar 100 leden zou zijn, als deze argumenten inmiddels vervallen zijn. Zou bijvoorbeeld het Kamerwerk tegenwoordig licht zijn? Dat blijkt niet het geval te zijn. Het Kamerlidmaatschap is nog steeds een meer-dan-fulltime baan. Daarbij is ook de ondersteuning van Kamerleden beperkt, zoals een parlementariër aangaf in het parlementsonderzoek 2006 (p. 60):
"De ondersteuning en bemensing is een lachertje op het gebied van kwaliteit. Een gemiddeld kamerlid heeft een halve week secretariële ondersteuning. De rest van de week wordt er gewoon niet opgenomen. Een volksvertegenwoordiger moet de telefoon oppakken. Dat is allemaal klein leed, maar het is raar, dat begrijpen de mensen niet."
Daarbij komt dat het aantal te bespreken wetten en voorstellen sinds 1950 eerder is toe- dan afgenomen. Verschuiving van wetgevende macht naar Europa zorgt niet echt voor een verlichting van het parlementaire werk, omdat veel van die voorstellen alsnog in uitvoeringswetten moeten worden omgezet. Gezien de vele klaagzangen die je de laatste jaren vanuit de Eerste Kamer hoort over de kwaliteit van de wetgeving, is nou ook niet vast te stellen dat de Tweede Kamer in dit opzicht goed genoeg functioneert. Het zou vreemd zijn om te verwachten dat een reductie van het aantal Kamerleden zal leiden tot een verbetering van deze zaken. Zeker omdat dit een reductie van het aantal specialisten zal betekenen, juist in de kleinere fracties.

Het tweede punt dat werd genoemd in de memorie van toelichting lijkt nu minder relevant. Hoewel er nog wel parlementariërs in internationale organen zitten, is het belangrijkste (namelijk het Europees Parlement) tegenwoordig direct gekozen. Het dubbelmandaat is afgeschaft, waardoor Kamerleden zich helemaal op 'Den Haag' kunnen richten.

Sinds de jaren 1950 is de bevolking toegenomen van ongeveer 10 tot 16 miljoen. De verhouding tussen het aantal burgers en het aantal Tweede Kamerleden is nu dus nog schever (1 kamerlid op 106 duizend mensen) dan voor de uitbreiding tot 150 Kamerleden (1 kamerlid op 100 mensen). Het is interessant wat CPN-kamerlid Haken daar destijds over zei:
"Naar ons oordeel is een aantal van 100 Kamerleden op een totaal van ruim vijf millioen uitgebrachte stemmen, dus bij een kiesdeler van ruim 50000 stemmen, een wanverhouding, die bijna nergens in een land, waar de burgerlijke democratie nog aanwezig is, gevonden wordt."
Hoewel er vandaag de dag natuurlijk veel meer manieren zijn om contact te houden met burgers, is de verhouding tussen het aantal Kamerleden en de bevolkingsomvang door de tijd heen weer verslechterd. Als de omvang van de Kamer beperkt zou worden, zouden we nog maar 1 Kamerlid op 160.000 mensen hebben. Zelfs met Twitter, Hyves en Facebook bemoeilijkt dat het contact. Terwijl juist over de afstand tussen kiezer en politicus zoveel ontevredenheid heerst.

Daarbij komt nog dat het Nederlandse parlement nog steeds zeer bescheiden van omvang is. Vrijwel alle parlementen in omliggende landen zijn aanmerkelijk groter in verhouding tot de bevolking. Dat was voor 1956 zo, en dat is nu zo. Nederland heeft dus al een relatief 'efficiënte' volksvertegenwoordiging.

Recente ontwikkelingen geven niet meer aanleiding tot het beperken van het aantal Kamerleden. De hoop dat een beperking van het aantal Kamerleden tot meer debatten op hoofdlijnen leidt is ijdel. Het leidt eerder tot debatten om 'headlines'. Daarnaast: debatten op hoofdlijnen zijn soms belangrijk, maar ook de kwaliteit van de wetgeving is van belang. En om dat te beoordelen is een goede kennis van specifieke onderwerpen zeer noodzakelijk. De huidige cultuur van 'spoeddebatje hier, spoeddebatje daar' kan beter worden tegengegaan door daar een iets hogere drempel voor op te werpen, bijvoorbeeld 50 i.p.v. 30 Kamerleden. Dan gooi je het Kamerlid niet met het badwater weg.
Het voorstel van GroenLinks om het aantal Kamerleden te verminderen, maar hun ondersteuning te versterken werkt ook niet. Betere ondersteuning is prima. Maar de keuze voor benoemde adviseurs in plaats van gekozen volksvertegenwoordigers leidt eerder tot een afname van de democratische controle - en het leidt uiteindelijk ook niet tot besparingen.

De argumenten uit de jaren 1950 blijken dus nog steeds actueel: er is zorg over de zwaarte van het Kamerwerk en de band tussen kiezer en gekozene. Het Nederlandse parlement is al relatief klein. Het verkleinen van de Kamer biedt geen oplossing voor het probleem dat de 'waan van de dag' regeert. Minder Kamerleden leiden eerder tot minder wetgevingskwaliteit, een nog lossere band tussen politici en bevolking en een verdere verheadlining van het parlement.

dinsdag 23 maart 2010

GroenLinksprogramma zet in op groen

Het GroenLinks concept-verkiezingsprogramma is in vergelijking met het programma van vier jaar geleden erg groen. Dat blijkt uit een analyse van het woordgebruik in beide programma's. Waar er in 2006 nog relatief veel werd gesproken over mensen, jongeren, gehandicapten, leeftijd en politie, stonden in 2010 vaak woorden als energie, groen, groene, stroom en auto in het verkiezingsprogramma.

De analyse werd uitgevoerd op een tabel waarin stond hoe vaak in elk van de programma's elk woord voorkomt. Volgens een procedure van Monroe et al. kun je vervolgens onderscheid maken naar woorden die singificant vaker voorkomen in het ene programma of het andere. In dit geval dus in 2006 of in 2010. In onderstaande figuur staan die woorden weergegeven. De horizontale as geeft aan hoe vaak een woord wordt gebruikt (logaritme van de frequentie) in beide verkiezingsprogramma's samen. Woorden die ver naar rechts staan worden dus vaak gebruikt. Op de verticale as wordt onderscheid gemaakt tussen 2006 en 2010. In deze figuur staan woorden die vaak in 2006 worden gebruikt bovenaan en woorden die vaak in 2010 worden gebruikt onderaan. Een aantal veelgebruikte woorden werd in deze analyse weggelaten.



Zo is te zien dat in 2006 het woord 'willen' vaak wordt gebruikt (veel vaker dan in 2010), terwijl in 2010 het woord 'wil' relatief veel aan bod komt. Dat komt omdat het programma van 2006 vaak de zin 'wij willen...' bevat, terwijl in het programma van 2010 vaak 'GroenLinks wil...' staat. Wellicht een stylistische keuze, maar het zegt ook wat over de manier waarop GroenLinks zich presenteert (of 'wij ons presenteren' ;-)).

Verder valt op dat een aantal worden uit de veiligheidssector en de sociale sector vooral in 2006 wordt gebruikt (politie, vrouwen, jongeren, geweld, gehandicapten), terwijl in 2010 juist 'groene' woorden het goed doen (groen, energie, groene, stroom, auto). Daarnaast is er in 2006 meer aandacht voor internationale onderwerpen ('verenigde' [naties/staten], 'landen') en cijfers ('procent'). In 2010 wordt juist meer gesproken over de uitdagingen op de langere termijn ('investeringen', 'toekomst'). Opvallend is ook dat in 2010 het woord 'regering' vaak voorkomt (15 keer, in 2006 maar éénmaal). Blijkbaar is de ambitie van meeregeren concreet en gaat GroenLinks er echt voor; in ieder geval wordt het woord 'regering' niet gebruikt om de vorige regering vliegen af te vangen, maar juist om te zeggen wat de nieuwe regering allemaal moet doen en wat de rol van GroenLinks daar in is.

Natuurlijk zegt een puur kwantitatieve analyse als deze niet alles; een kwalitatieve inhoudelijke vergelijking kan veel meer verschillen naar voren brengen. Bijvoorbeeld over het percentage BNP voor ontwikkelingssamenwerking of over bestuurlijke vernieuwing. Deze snelle analyse van het woordgebruik geeft desondanks al een aardig inzicht in de prioriteiten van GroenLinks voor de komende periode.