Pages

woensdag 13 juli 2011

PvdA en GroenLinks: schoothondjes van Rutte?

Emile Roemer ergert zich aan de opstelling van de PvdA en GroenLinks. In een interview met NU.nl toont hij zijn verwondering over de medewerking van PvdA en GroenLinks aan sommige kabinetsmaatregelen. Zo steunde GroenLinks de missie in Kunduz en toonde de PvdA zich positief over de missie in Libië en het pensioenakkoord. Op deze manier kon Rutte volgens Roemer gemakkelijk in het zadel blijven:
“Op zulke momenten laat de oppositie het kabinet gewoon zitten. Hoe meer de oppositiepartijen dat doen, hoe meer ik ze verantwoordelijk acht voor het instandhouden van dit kabinet en de maatregelen op al die bezuinigingsterreinen.”
Volgens Roemer maken PvdA en GroenLinks het Rutte op deze manier erg gemakkelijk om lachend door te regeren:
"De oppositie moet stevig oppositie voeren op cruciale punten. Ik roep GroenLinks en zeker de PvdA op om een keer nee tegen Rutte te zeggen. Die man breekt wel met de kleinst mogelijke meerderheid sociaal Nederland af. Ze hebben zich in de luren laten leggen."
Dat is een stevige uitspraak van Roemer. Maar is het nu echt zo dat GroenLinks en PvdA aan de leiband van de premier lopen en zijn kabinet keer op keer in het zadel houden als het voor de coalitie lastig wordt? Dat beeld is sterk overdreven.

Als we kijken naar het stemgedrag van de partijen in de Tweede Kamer, zien we dat er in de periode september 2010 tot en met mei 2011 maar een kleine overeenstemming is tussen de linkse partijen en de coalitie. De PvdA stemt in 43% van de gevallen hetzelfde als de VVD, GroenLinks 37% en de SP 34%. De gelijkenissen met het CDA zijn iets groter: PvdA stemt in 50% van de gevallen hetzelfde als de christen-democraten, GroenLinks in 44% en de SP in 41%. Gedoogpartner PVV kan minder vaak op steun van SP (39%), PvdA (39%) en GroenLinks (35%) rekenen. Over het algemeen ontlopen de percentages elkaar dus niet zo veel . SP trekt relatief iets vaker op met de PVV, maar de verschillen zijn klein.




Is het dan zo dat juist GroenLinks en de PvdA de linkse bondgenoten in de steek laten? Het aantal keren dat de PvdA met VVD én CDA meestemde terwijl SP en GroenLinks dat niet deden was 118 op een totaal van 1873 stemmingen (=6,3%). De SP stemde 77 keer hetzelfde als de coalitiepartijen toen PvdA en GroenLinks dat niet deden (=4,1%). Bij GroenLinks gaat het om 55 stemmingen (=2,9%). PvdA en GroenLinks verloochenden het linkse kamp dus niet substantieel vaker dan de SP, GroenLinks deed dit zelfs iets minder vaak dan de socialisten. 



Als we kijken naar wat partijen deden als de coalitie verdeeld stemde – dus er een kans was om een wig te drijven in het rechtse kamp – is het beeld niet veel anders. Het gaat hier in totaal om 551 stemmingen. De SP stemde in zulke gevallen 160 keer met de meerderheid van de coalitie mee, GroenLinks deed dat 176 en de PvdA 182 keer. Ook hier zijn de verschillen tussen de linkse partijen dus klein.

Wellicht is de kritiek van Roemer op enkele specifieke punten terecht – niet voor niets was er bijvoorbeeld binnen GroenLinks ook veel kritiek op de wel erg gezellige samenwerking met Rutte in het Kunduz-dossier. Maar het beeld dat PvdA en GroenLinks het kabinet in het zadel zouden houden is vertekend. Bij geen van de punten die Roemer noemt stond immers de positie van het kabinet op het spel. En juist daar waar voor links de echte pijn zit - de bezuinigingen - houden de coalitiegenoten elkaar stevig vast.

Daarnaast is het voor Roemer in veel gevallen gemakkelijker om  ‘nee’ te zeggen tegen het kabinet dan voor PvdA en GroenLinks. De punten waar PVV-gedoogsteun ontbreekt, zoals Europa en vredesmissies, zijn veelal zaken waar ook de SP tegen is. GroenLinks en PvdA zijn het met sommige kabinetsmaatregelen gewoon eens, bijvoorbeeld als het gaat om het Europees beleid. Dan steeds ‘nee’ roepen uit partijpolitieke motieven lijkt is dan opportunistisch en dom tegelijk – in die gevallen moet je je onderhandelingspositie juist benutten. Als Roemer suggereert dat dit de afgelopen tijd onvoldoende is gebeurd, dan heeft hij dáárin waarschijnlijk wel gelijk.


In het kader van wat in goed Nederlands ‘full disclosure’ heet: ik ben lid van GroenLinks. (Als u het enkel om die reden met mij oneens bent, wens ik u veel succes.)

woensdag 22 juni 2011

Houden partijen zich aan hun verkiezingsmandaat?

Vandaag hoop ik te promoveren tot doctor in de politicologie. Bij het onderliggende proefschrift 'Political Parties and the Democratic Mandate' behoren twaalf stellingen. In deze serie een korte toelichting op enkele van de meest prikkelende. De laatste aflevering: ‘De mate waarin partijen hun mandaat vervullen is in de afgelopen 60 jaar niet achteruitgegaan en wat betreft issue saliency in Nederland zelfs verbeterd’

Veel mensen zijn sceptisch over het functioneren van politieke partijen. Ruim 90 procent van de ondervraagden uit het Nationaal Kiezersonderzoek zegt te geloven dat politici meer beloven dan ze waar kunnen maken. Als ik als onderzoeker naar het verkiezingsmandaat aan kennissen uitlegde waar mijn onderzoek over ging, kortweg of partijen zich aan hun verkiezingsmandaat houden, was een veelgehoorde reactie: “Dat zal dan wel een heel kort onderzoek zijn, want we weten toch allemaal dat partijen hun beloftes breken.” Een systematisch onderzoek naar de politieke stellingname van partijen tijdens verkiezingen en in het parlement laat echter zien dat het met dat verkiezings- of partijmandaat helemaal niet zo slecht gesteld is. De afgelopen zestig jaar is er geen sprake van een verslechtering van de mate waarin partijen zich aan hun mandaat houden.

Uit voorgaand onderzoek van Robert Thomson was al bekend dat Nederlandse regeringspartijen ongeveer 60% van hun beloftes geheel of gedeeltelijk weten om te zetten in beleid. Dat is niet perfect, maar toch een redelijk percentage. Mijn analyse is breder en kijkt naar de politieke stellingname voor en na verkiezingen. Het kan namelijk zo zijn dat partijen hun beloftes wel nakomen, maar ook een hele hoop andere dingen doen die niet in lijn met hun verkiezingsprogramma zijn. Door te kijken naar het belang van onderwerpen voor partijen (issue saliency) en hun politieke posities heb ik een meer omvattende analyse van het partijmandaat gemaakt. Daarbij zijn verkiezingsprogramma’s vergeleken met parlementaire debatten. Op die manier kan namelijk ook gekeken worden naar het partijmandaat van oppositiepartijen.

De mate waarin partijen aandacht aan onderwerpen besteden in hun verkiezingsprogramma is een goede indicator voor hoeveel ze er over praten in het parlement. De overeenstemming tussenbeide is in Nederland zelfs toegenomen over de afgelopen 60 jaar. Ook de congruentie van de politieke posities van partijen voor en na verkiezingen lijkt toegenomen, maar dit verband is niet statistisch significant. In ieder geval is geen sprake van een afname van de vervulling van het partijmandaat, hetgeen op basis van het cynisme over politieke partijen dat in het publieke debat steeds vaker wordt geuit zou zijn verwacht. Juist doordat kiezers niet meer gebonden zijn aan één partij, moeten partijen goed luisteren naar kiezersvoorkeuren en zich consistent opstellen. Want van draaiers houden we niet.

Het onderzoek laat ook zien dat er geen verschil is in de mate van congruentie van electorale en parlementaire competitie tussen Nederland en Groot-Britannië. Het Engelse politieke systeem wordt veel geprezen omdat er doorgaans een directe relatie is tussen verkiezingswinnaar en regeringspartij. Eén partij haalt de meerderheid en kan zijn programma uitvoeren, terwijl in Nederland compromissen moeten worden gesloten. Dit leidt er echter niet toe dat in Engeland de parlementaire posities van partijen meer lijken op de verkiezingsposities dan in Nederland. De Britse oppositie kiest namelijk vrijwel altijd voor de frontale aanval op de regering, zelfs als ze daarmee van haar eigen programma afwijkt. En de Britse regering, zo blijkt uit de analyse, neemt net als de Nederlandse vaak een wat gematigde positie in. Voor zover er problemen zijn met politieke partijrepresentatie, los je ze dus niet op door het politiek systeem radicaal te wijzigen. Veel belangrijker is het dat partijen reële verwachtingen scheppen en kiezers zich laten informeren over wat partijen willen.

De Nederlandse samenvatting van het proefschrift Political Parties and the Democratic Mandate is hier te downloaden.

zondag 19 juni 2011

Politiek: paradox van strijd en compromis

Op 22 juni hoop ik te promoveren tot doctor in de politicologie. Bij het onderliggende proefschrift 'Political Parties and the Democratic Mandate' behoren twaalf stellingen. In deze serie een korte toelichting op enkele van de meest prikkelende. De tweede aflevering: 'Politiek is een paradox van strijd en compromis'

Als je een politicoloog vraagt wat politiek is, krijg je waarschijnlijk een zorgvuldig uit het hoofd geleerde definitie. Politiek is "wie wat krijgt en hoe" (Laswell) of "de gezaghebbende allocatie van waarden" (Easton). Het heeft te maken met macht, met collectieve besluitvormingsorganen en in moderne context met de staat. Deze kenschetsen bevatten elk treffende elementen, al moet je er wel even over nadenken om ze precies te kunnen plaatsen. Het is naar mijn overtuiging zinvol om politiek te bekijken als de spanning tussen twee schijnbaar tegenstrijdige elementen: strijd en compromis. Wanneer je slechts één van deze twee elementen benoemt, verlies je de essentie.

Politiek is strijd, want het gaat om het nemen van beslissingen waarover doorgaans onenigheid bestaat. Als iedereen het altijd eens zou zijn, heb je geen politici nodig. In democratieën wordt deze strijd gevoerd op niet-geweldadige wijze. Niet voor niets noemde Clausewitz oorlog de "voorzetting van politiek met andere middelen". Politiek is strijd en het gaat ergens over.


Kiss in the middle illustration


De andere kant van politiek is het compromis. De doelstelling van (democratische) politiek is te komen tot collectieve besluitvorming. Zeker in een democratisch systeem kun je zo'n besluit niet nemen als er niet op z'n minst enige overeenstemming is. Strijd alleen is niet genoeg. Zelfs in niet-democratieën moeten leiders zich bewust zijn van de gevoelens van het volk. Dit is niet alleen noodzaak, het is ook wenselijk. Wij kiezen politici niet alleen omdat ze een bepaalde visie op zaken hebben, maar ook om die visies om te zetten in beleid. Daarvoor is draagvlak nodig.

Door sommigen worden strijd en compromis als aan elkaar tegengesteld gehouden. Zowel conservatieven als Burke alsook radicale democraten als Rousseau leggen bijzonder veel nadruk op het zoeken van het compromis, of de 'volkswil'. Zij streven vooral naar de eenheid. Populisten hebben in zekere zin dezelfde neiging: de elite negeert volgens hen stelselmatig de eisen van het volk. Natuurlijk, strijd tegen de elite is nu noodzakelijk, maar uiteindelijk moet de politiek niets anders doen dan het implementeren van de wensen van het volk.


Aan de andere kant staan degenen die politiek slechts als een afrekening met het zittende regime zien (Schumpeter). Volgens hen is democratie niets meer dan de mogelijkheid om de regering naar huis te sturen. Zo krijg je een pendule-democratie (Ed Van Thijn): van links naar rechts en weer terug. Er is een voortdurende strijd, maar van compromis is niet echt sprake, want een regering die steunt op een minderheid van de kiezers kan voor een korte periode haar agenda doorvoeren. Gelukkig is de werkelijkheid in landen met zo'n systeem weerbarstiger dan de theorie. Maar een eenzijdige focus op 'afrekenen' leidt enkel tot politieke poppenkast: vermakelijk, maar zonder doel.

Politiek bestaat bij de gratie van de spanning tussen strijd en compromis. Hoe worden verschillende voorkeuren en belangen (strijd) meegewogen in de vorming van collectief beleid (compromis)? Dit kruispunt is niet alleen bijzonder fascinerend, het is ook in normatieve zin van belang dat beide elementen in evenwicht worden gehouden. Politiek zonder strijd is de dood in de pot. Politiek zonder compromis mist zowel richting als doel. Partijen, in het bijzonder coalitiepartijen, moeten zich dat realiseren: verkoop het compromis niet als je eigen program. Doe als Bolkestein tijdens Paars-I en voer de strijd aan de hand van eigen overtuigingen, maar leg je als dat nodig is neer bij het gesloten compromis. Dát is eerlijke en heldere politiek.

zondag 12 juni 2011

Leuke politieke debatten zijn vaak het minst zinvol

Op 22 juni hoop ik te promoveren tot doctor in de politicologie. Bij het onderliggende proefschrift 'Political Parties and the Democratic Mandate' behoren twaalf stellingen. In deze serie een korte toelichting op enkele van de meest prikkelende. De eerste aflevering: 'Leuke politieke debatten zijn vaak het minst zinvol'


Het Nederlandse vragenuurtje is vaak behoorlijk saai. Kamerleden buitelen over elkaar heen om de mogelijkheid tot gratis publiciteit te benutten, maar het debat leidt meestal tot niks. De Tweede Kamer weet zelf ook niet precies meer wat ze met het vragenuur moet en experimenteert daarom met de opzet. Meer vragenstellers, maar minder interrupties. Geen aanvullende vragen, of toch weer wel. Varianten genoeg, maar onverdeeld succesvol is het niet. Nu vraagt de Tweede Kamer maar aan het publiek hoe ze zou moeten discussiëren.

Get Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.

Vaak wordt in Nederland bewonderend gekeken naar de Britse parlementaire politiek. In Westminster, daar wordt tenminste politiek debat op het scherpst van de snede gevoerd. De Britse Prime Minister's Questions geven vrijwel elke week politiek vuurwerk. Premier tegen oppossitieleider. Dat is pas leuk.

Leuk is het zeker. Maar de vraag is of het ergens toe leidt. Je kunt zeggen dat een debat zinvol is als het vermakelijk is of als het tenminste enig inzicht geeft in de politieke tegenstellingen. In dat opzicht gooit het Britse parlement hoge ogen. Maar de belangrijkste functie van het parlement is niet het verzorgen van een wekelijks cabaret of het vrijblijvend roeptoeteren van wat er in je opkomt na het lezen van de Telegraaf. Kamerleden moeten de regering op een zorgvuldige wijze controleren en goede wetten maken. Juist op deze punten bestaan nogal wat zorgen.




De kwaliteit van het politieke debat kan worden vastgesteld met behulp van de Discourse Quality Index, ontwikkeld door Steiner et al. Zij kijken naar de mate waarin politici respectvol met elkaar omgaan en bereid zijn te luisteren naar elkaars argumenten. Daarbij laten ze zien dat juist in consensusdemocratiën, zoals Zwitserland (en Nederland), maar ook in het Europees Parlement, de kwaliteit van het parlementaire debat hoger is dan in meerderheidsstelsels zoals Engeland. Juist in een respectvol debat wordt de regering echt scherp gehouden en de wetsvoorstellen kwalitatief beter. Niet voor niets dat veel Eerste Kamerleden juist deze argumenten noemen ter verdediging van de rol van hun instituut.

Het neerzetten van politieke verschillen is nodig. Maar het heeft weinig zin om net als in Engeland een ritueel gevecht tussen regering en oppositie te ensceneren. De oppositie is boos/verontwaardigd/verontrust en de regering zegt dat het allemaal wel mee valt/ze de problemen al aan het aanpakken zijn/ze daar nu zeker stevig mee aan de slag gaan. En dat is nog het beste geval. Tijdens het Britse vragenuur vangen de heren elkaar vooral professioneel vliegen af. Leuk, maar je schiet er niets mee op. Je lost de drang van Tweede Kamerleden om in het nieuws te komen niet op met een poging het vragenuur 'op te leuken'. We krijgen daarmee misschien meer vermaak op de dinsdagmiddag, maar geen beter functionerend parlement.

zondag 8 mei 2011

Factcheck: ‘Roemer beste fractievoorzitter’

De Volkskrant meldt dat de ‘gemiddelde Nederlander’ [sic] Roemer een 5,8 geeft voor zijn werk als fractievoorzitter in een peiling van Maurice de Hond. Hij scoort daarmee het beste van alle fractievoorzitters. Dat Roemer het goed doet bij de mensen, zal voor velen geen verrassing zijn: hij slaagt erin om het gedachtegoed van zijn partij op een eenvoudige, maar effectieve wijze naar voren te brengen. Probleem van de conclusies van de Volkskrant is echter, dat Maurice de Hond helemaal geen onderzoek heeft gedaan naar het oordeel van mensen over het werk van de fractievoorzitters.

Eens in de zoveel tijd vraagt Peil.NL zijn panelleden naar hun vertrouwen in politici. Mensen kunnen dat vertrouwen aangeven op een schaal van 10 (Heel erg hoog) tot 1 (Heel erg laag)*. Er wordt dus niet gevraagd naar een beoordeling van de manier waarop de fractievoorzitters hun werk doen, zoals de Volkskrant suggereert. Hoewel vertrouwen in een politicus ongetwijfeld gerelateerd is aan de manier waarop hij zijn functie vervult, zijn dit twee verschillende zaken. Je kunt bijvoorbeeld best waardering hebben voor de manier waarop Van der Staaij (SGP) zijn functie uitoefent, zonder dat je een groot vertrouwen in de man hebt. 

Vraag over politiek vertrouwen, zoals gepresenteerd door Peil.nl.

Juist als het om vertrouwen gaat, is de politieke kleur van de respondent van grote invloed op het antwoord. Zo geven SP-kiezers Emile Roemer gemiddeld genomen een 8, terwijl PVV-stemmers slechts een 3,7 (zij geven sowieso lage cijfers, behalve voor Wilders). Blok (VVD) krijgt naast een 6,8 van zijn eigen kiezers een 6 van CDA-stemmers, terwijl SP’ers en PvdA’ers hem slechts een 3,3 geven. Linkse kiezers hebben over het algemeen meer vertrouwen in linkse politici dan in rechtse – bij rechtse kiezers is dat andersom.

Dit patroon blijkt nog iets gecompliceerder. Met behulp van een multidimensional unfolding analyse heb ik fractieleiders en (beschikbare) kiezersgroepen in een figuur geplot, zodat kiezersgroepen dicht bij politici staan, waar ze (gemiddeld genomen) veel vertrouwen in hebben. Kiezersgroepen staan ver af van politici die ze niet of nauwelijks vertrouwen. Dit geeft een redelijk vertrouwd beeld: horizontaal zien we de partijen ongeveer van links naar rechts. Verticaal zien we echter een onderscheid tussen SP, PvdD en PVV aan de ene kant en die van de traditionele partijen aan de andere. PVV-kiezers hebben namelijk veel minder vertrouwen in Cohen en Sap dan in Roemer. CDA’ers hebben meer vertrouwen in Roemer, dan in Wilders. Links-rechts is dus niet de enige factor van belang bij vertrouwen in de fractieleiders: ook pro- en anti-Wilders dynamiek lijkt een belangrijke rol te spelen. 

Vertrouwen in politici: afstand tussen kiezersgroepen en politici worden zo goed mogelijk weergegeven in bovenstaand figuur. PvdA-kiezers hebben bijvoorbeeld een kleine afstand (= veel vertrouwen) in Cohen en Roemer, en een grote afstand tot Wilders (=weinig vertrouwen).


Is Roemer de beste fractievoorzitter in de ogen van de ‘gemiddelde Nederlander’? Wellicht, maar dat blijkt niet uit het onderzoek van De Hond. Vertrouwen in politici lijkt, althans op het niveau van kiezersgroepen, samen te hangen met de politieke voorkeuren, zowel in termen van links-rechts als in termen van voor- of afkeur van de PVV.


* Overigens ontbreekt een optie 'Weet niet/ken ik niet', wat het lage vertrouwen in Van der Staaij en Thieme zou kunnen verklaren. Want hoeveel vertrouwen kun je aangeven te hebben in iemand die je niet kent?

donderdag 5 mei 2011

SP trouwste bondgenoot van de PVV?

Volgens Elsevier is de SP de trouwste bondgenoot van de PVV in de Tweede Kamer. De partij zou het vaakst van alle oppositiepartijen meestemmen met de PVV. Elsevier-columnist Syp Wynia trekt in een bijgevoegd filmpje een snelle conclusie: SP en PVV kunnen maar beter zo snel mogelijk fuseren, want grote inhoudelijke verschillen zijn er niet. Als het inderdaad waar zou zijn dat de SP en de PVV vrijwel altijd hetzelfde stemmen, valt daar misschien iets voor te zeggen. Het is echter totale onzin.

Het achtergrondartikel in Elsevier weekblad waarnaar wordt verwezen geeft de achterliggende cijfers. Het betreft de analyse van het stemgedrag in de Tweede Kamer in de periode oktober 2010 tot maart 2011, in totaal 987 moties, in samenwerking met de Dienst Informatievoorziening Tweede Kamer. Deze cijfers zijn niet vrijelijk beschikbaar, maar zijn wel te reconstrueren aan de hand van de Handelingen van de Tweede Kamer. Wij komen in de periode 14 oktober 2010 tot 1 maart 2011 op in totaal 961 moties – niet precies hetzelfde aantal als Elsevier, maar het is onwaarschijnlijk dat dit verschil tot wezenlijk andere inzichten leidt.

Stemt de SP vaak hetzelfde als de PVV? Nee. De SP stemde in 35% van de stemmingen over moties hetzelfde als de PVV, dit is minder dan VVD, CDA, SGP, ChristenUnie, D66 én PvdA. Alleen de PvdD en GroenLinks stemden nog vaker anders dan de PVV. De echte bondgenoten van de PVV zijn CDA en VVD. Dat is ook niet verwonderlijk: de PVV steunt het kabinet van CDA en VVD omdat ze inhoudelijk verwant zijn. De PVV week soms wel af van het stemgedrag van CDA en VVD, maar minder vaak dan D66 dit deed tijdens kabinet Balkenende-II.


De claim van Elsevier dat de SP de sterkste bondgenoot van de PVV is, is gebaseerd op de stemmingen waarin de coalitie verdeeld was (of beter gezegd: waarin de PVV afwijkend stemde van CDA en VVD). In deze gevallen stemde de SP volgens de gegevens van Elsevier 86 keer mee met de PVV en 79 keer met CDA en VVD. Maar de SP is niet de enige partij die in zo’n geval regelmatig met de PVV meestemde. Onderstaande grafiek presenteert de gevallen waarin de coalitie verdeeld was (dus ook als CDA of VVD niet hetzelfde stemmen) . Het beeld is hetzelfde als dat bij Elsevier, alleen de Partij voor de Dieren stemde in onze analyse even vaak mee met de PVV als de SP dat deed. Geen van de partijen stemde in meer dan de helft van de gevallen met de PVV mee, ook de SP niet. Als ze niet met de oppositie mee stemt staat de PVV dus relatief geïsoleerd. De verschillen in ‘steun’ voor de kant van de PVV zijn niet erg groot: bij een conflict in de coalitie stemde ook GroenLinks en de PvdA in bijna 40% van de gevallen met de PVV mee: toch niet echt partijen waartussen een fusie voor de hand ligt.


Een betere maat voor ‘bondgenootschap’ met de PVV is de mate waarin partijen moties waarvan de PVV eerste indiener was, steunden. Staat een partij achter de voorstellen van een andere partij? De SP deed dit het vaakst: in iets meer dan 50% van de gevallen steunde de SP de PVV-moties. Dit is iets vaker dan andere partijen, maar de verschillen zijn niet groot: de PvdD steunde ruim 45% van de PVV-moties en de PvdA meer dan 40%. Dat VVD en CDA niet vaker voor PVV-moties stemden komt omdat de PVV vooral moties indiende als zij het oneens is met het kabinet; partijen dienen bijna nooit moties in als zij het eens zijn met het kabinet. Dit geeft dus een overschatting van de overeenkomsten tussen SP en PVV en een onderschatting van de overeenkomsten tussen PVV en CDA/VVD. Het is zeker waar dat de SP op een aantal terreinen vaker voor PVV-voorstellen stemde dan andere oppositiepartijen, maar de verschillen tussen SP en andere oppositiepartijen zijn niet bijzonder groot.



Als PVV en SP echt twee handen op een populistische onderbuik zouden zijn, dan zou de partij ook de moties van de SP vaak moeten hebben gesteund. Dit is niet het geval: minder dan 30% van de SP moties werd door de PVV gesteund. Dit is weliswaar duidelijk vaker dan CDA en VVD, maar ongeveer hetzelfde als de steun van de SGP voor PVV-moties. Alle andere partijen steunden SP-moties veel vaker dan de PVV dat deed. Met name linkse partijen als de PvdD en GL tonen een zeer grote verwantschap met de SP. De SP stelt met name noties voor die onacceptabel zijn voor het CDA en de VVD die de PVV dus niet kan steunen zonder haar rechtse bondgenoten in het tegen zich in het harnas te jagen.



Op welke onderwerpen zijn de PVV en de SP verwant? We kunnen moties en amendementen die zijn ingediend tijdens de begrotingsbehandelingen op grond van hun nummer indelen naar ministerie: van ELI (Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) tot VWS (Volksgezond, Welzijn en Sport). Voor elk ministerie kijken we weer in welke mate partijen hetzelfde stemmen. PVV en de SP zijn het het meest eens zijn op het gebied van volksgezondheid: in iets meer dan 50% van de stemmingen over moties en amendementen die ingediend zijn over de VWS-begroting stemmen de PVV en de SP hetzelfde. De PVV stelt zich wat betreft zorg en ouderen relatief sociaal op. De PVV en de SP stemmen het minst vaak hetzelfde als het over economische zaken gaat: daar stemmen ze in bijna 20% van de gevallen hetzelfde. Het gaat hier om onderwerpen als marktwerking. Het verzet tegen marktwerking is de kern van de linkse politiek van de SP, maar dit vindt weinig weerklank bij de PVV, zo bleek onder andere bij de stemming over de verplichte aanbesteding van het openbaar vervoer in de steden. De SP en PVV stemmen ook vaak hetzelfde over Binnenlandse Zaken (Antillianen, ambtenaren en inburgering) en Defensie (militaire missies). Over Buitenlandse Zaken (Israel of ontwikkelingssamenwerking) en Veiligheid zijn de partijen het juist vaak oneens. De PVV kan dus niet zonder meer links op sociaaleconomisch terrein genoemd worden: ze is misschien wel sociaal op het gebied van zorg, maar kiest -anders dan de SP- niet voor een sterk overheidsingrijpen in de economie.

ELI: stemmingen over moties en amendementen ingediend bij de begroting EZ, LNV en Financiën; BuZa: Buitenlandse Zaken; J&V: Justitie; I&R Verkeer & Waterstaat, VROM en het Infrastructuurfonds; OCW: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; VWS: Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Def: Defensie; BZK: Binnenlandse Zaken, Koninkrijksrelaties, Wonen, Wijken en Integratie en Algemene Zaken; VWS: Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Jeugd & Gezin.

Het stemgedrag van de SP en PVV in de afgelopen periode was verre van identiek. PVV en SP stemmen minder vaak samen dan PVV en PvdA. Alleen als het gaat om moties van de PVV en stemmingen waarin de coalitie verdeeld was, vonden de SP en de PVV elkaar relatief vaak. Dit zijn de gevallen waarin de PVV afweek van de regeringspartijen en de SP haar kans schoon zag om ‘in te breken’ op de coalitie. Ook andere partijen deden dit. Dat de SP wat vaker optrekt met de PVV dan bijvoorbeeld PvdA en GroenLinks lijkt voornamelijk een gevolg van hun posities inzake gezondheidszorg waarbij de SP en PVV beide een ‘sociaal’ standpunt innemen. Dit neemt niet weg dat SP en PVV op veel meer thema’s verdeeld zijn en dus anders stemmen. Waar het bijvoorbeeld gaat om economische zaken stemt de PVV heel anders dan de linkse partijen.

Het “wilde idee” van Wynia dat SP en PVV wel zouden kunnen fuseren omdat ze “zoveel op elkaar lijken” raakt kant noch wal. Alsof Elsevier en de Groene Amsterdammer wel samen zouden kunnen gaan omdat ze beiden wel eens een kritisch artikel over de overheid schrijven. Als het stemgedrag in de Tweede Kamer al aanleiding zou geven tot een fusie, is dat een fusie op rechts: de coalitie is het in verreweg de meeste gevallen roerend eens.

Dit artikel is samen geschreven met Simon Otjes en verschijnt gelijktijdig ook op zijn weblog.


Update 6-5: Op verzoek* maken we de dataset die we hebben verzameld en gebruikt voor de bovenstaande analyse openbaar, zodat iedereen onze gegevens kan controleren en de analyse kan repliceren. De gegevens zijn verzameld met behulp van een script dat stemmingen op officielebekendmakingen.nl download en verwerkt. Mocht je onvolkomenheden tegenkomen in de data, dan horen we dat graag. De dataset is beschikbaar onder een Creative Commons 3.0 Attribution-ShareAlike Licentie. Vermeld bij gebruik de namen en websites van Tom Louwerse (http://www.tomlouwerse.nl) en Simon Otjes (http://www.simonotjes.nl). 


* van ene 'Anoniem'

donderdag 14 april 2011

Halfjaar kabinet-Rutte: terug bij af?

In oktober 2010 tradt het meest rechtse kabinet in jaren aan: een regering met ministers van VVD en CDA, in het parlement mede gesteund door de PVV. In een aantal opzichten ging het dit kabinet voor de wind. De goedgemutste jonge premier Mark Rutte zorgde voor een verfrissend geluid vanaf de regeringszetels tijdens de belangrijke parlementaire debatten. Het kabinet kwam met maatregelen waarbij rechts Nederland onder leiding van VVD-kamerlid Aptroot de vingers aflikte: 130 op de snelweg (sommige dan), een (aangekondigde) hervorming van de politie en er mag weer gerookt worden in kleine cafés zonder personeel. Na het aftreden van het kabinet steeg dan ook de steun voor de drie coalitiepartijen in de peilingen, van iets meer dan 50% naar zo'n 53% (ongeveer 80 zetels). Maar na de affaire-Lucassen c.s., de missie in Kunduz en in de aanloop naar de Statenverkiezingen verloren deze drie partijen steeds meer terrein: nu scoren de partijen volgens de beste inschatting* minder goed dan bij de laatste verkiezingen.

De zwarte geeft de schatting van het stemmenpercentage voor VVD, PVV en CDA gezamenlijk op elke dag. Het grijze gebied geeft een 95% credibility interval (foutmarge). De gekleurde ronde bolletjes geven de uitslag van de verschillende peilingen aan: een rode P voor Peil.nl, een blauwe B voor Politieke Barometer en een groene N voor TNS NIPO.

VVD
De VVD doet het als enige coalitiepartij nog goed. De partij verloor sterk tijdens de onderhandelingen voor Paars-Plus (niet echt een favoriet bij de VVD-kiezers), maar steeg daarna gestaag door naar een hoogtepunt van 23,5% (+- 36 zetels). Met name tijdens de campagne leek de VVD het lastig te hebben, maar de laatste weken wint de partij weer terrein.



PvdA
De grootste oppositiepartij PvdA staat nog steeds op verlies ten opzichte van de Kamerverkiezingen, maar lijkt het diepste dal te hebben gehad. Sinds december is de partij bezig met een herstel, wat stevig doorzette rondom de besluitvorming inzake Kunduz. Ook de verkiezingscampagne verliep redelijk gunstig voor de PvdA, hoewel er een korte afvlakking lijkt te zijn in de laatste 2 weken voorafgaande aan die verkiezingen.


PVV
Bij de afgelopen Kamerverkiezingen werd de steun voor de PVV stevig onderschat in de peilingen (met zo'n 3%). Daar lijkt nu niet zozeer sprake van te zijn (analyse niet getoond), maar het is lastig om dat precies vast te stellen. Wat wel duidelijk is dat Wilders de goede scores van zijn partij in de zomer niet heeft weten vast te houden. Sinds de affaire-Lucassen is er sprake van een stevige afname van de steun. Na een kortstondig herstel in de eerste maanden van dit jaar, lijkt Wilders' steun opnieuw af te nemen. Hij scoort volgens de schatting nu rondom de score van 9 juni 2010.

CDA 
De steun voor het CDA blijft kwakkelen. De partij verloor sterk tijdens de onderhandelingen over de regering (zeker rondom het gedoe met de 'drie dissidenten'). Daarna was er sprake van een gedeeltelijk herstel, maar dit wil niet echt doorzetten. De afgelopen maanden is er een duidelijke golfbeweging te zien in de steun voor het CDA. Momenteel scoort de partij iets onder de 11% (+- 17 zetels).



Andere partijen

De SP lijkt garen te spinnen bij het kabinet. De partij bleef aanvankelijk hangen op het niveau van de laatste verkiezingen, maar staat daar de laatste maanden steeds ruim een procent boven. Ook D66 doet het goed en wint als de peilingen bewaarheid zouden worden nu ongeveer 1,5%punt ten opzichte van de vorige verkiezingen. GroenLinks deed het aanvankelijk goed, maar verloor duidelijk rondom de kwestie Kunduz. Er lijkt nu een licht herstel op te treden. De steun voor ChristenUnie en SGP is vrij stabiel (SGP is lastig te schatten met deze methode omdat Peil.NL en TNS-NIPO geen percentages, maar alleen zetels presenteren). De PvdD laat een golfbeweging zien rondom de huidige twee zetels.


*De genoemde cijfers zijn gebaseerd op een 'pooling the polls' model, waarbij peilingen van Peil.NL (Maurice de Hond), Synovate (Politieke Barometer) en TNS-NIPO worden gecombineerd tot een (dagelijkse) schatting van de politieke steun voor de politieke partijen. Meer uitleg staat op de site van Simon Jackman, voor wie niet bang wordt van termen als 'random walk model', 'prior' en 'Markov Chain Monte Carlo estimation'. Kortgezegd: als je de gegevens van drie peilingen combineert, weet je meer dan van een enkele peiling. Je kunt ook aangeven hoe 'zeker' de gepeilde percentages zijn (een 95% interval staat grijs geplot in de figuur).