maandag 12 december 2011
Is fact free politics een probleem?
Pels licht zijn bezwaren tegen het verwijt dat ‘rechts’ aan fact free politics zou doen toe aan de hand van drie stellingen. De eerste twee zijn eenvoudig samen te vatten: links doet het ook, en ook rechts gebruikt feiten (al dan niet gemanipuleerd, net als bij links overigens). Dat eerste is zo klaar als een klontje: als het gaat om 130 op de snelweg legt ‘links’ heel rationeel uit dat het nauwelijks tijdwinst oplevert, maar wel meer doden, maar als een asielzoeker het land uitgezet moet worden, moet het hart het ineens winnen van het hoofd.
Pels’ tweede bezwaar is ook zichtbaar. Alle partijen houden ervan om ‘feiten’ te presenteren – vooral als betreffende feiten hen goed uitkomen. Terecht wordt gesteld dat er in sommige dossiers eerder te veel dan te weinig feiten op tafel liggen. Herinnert u zich nog de enorme stapel rapporten waarmee Alexander Pechtold op de proppen kwam toen kabinet Balkenende-IV twintig ambtelijke commissies wilde instellen om bezuinigingen in kaart te brengen? Gelukkig spelen feiten een belangrijke rol bij de vorming van beleid.
Door feiten voor te doen als ‘dingen’, zo is Pels’ derde bezwaar, misleiden de fact-free-politics claimanten ons. Feiten zijn helemaal niet objectief. Feiten worden gefabriceerd, zo stelt de filosoof Latour. Het claimen van objectieve waarheid is fundamentalistisch en maakt vrijzinnige, zelfkritische politiek onmogelijk. Het is bovendien contraproductief om zelfingenomen populistische politici slechts ‘objectieve feiten’ voor te houden; zij zijn immers net als gelovigen die zich door niets van hun stuk laten brengen. “Links moet juist leren”, zegt Pels, “om de feiten te laten dansen op de maat van de eigen muziek: om de feiten te manipuleren, zonder ze te presenteren als onwrikbare dingen”.
Hiermee lijkt Pels zich, doch niet helemaal, een behoorlijk sociaal constructivistisch standpunt aan te meten. Het is duidelijk dat in de politiek, en in de sociale werkelijkheid in bredere zin, veel feiten inderdaad ‘sociale feiten’ zijn. Ze zijn sociaal geconstrueerd, zoals John Searle laat zien: geld, huwelijk en de regering, geen van allen bestaat zonder dat we daar gezamenlijk een betekenis aan toekennen. Maar dat betekent niet dat er in het geheel geen objectieve feiten zijn. De Mount Everest, bijvoorbeeld, zou er ook zijn als de mensheid niet was geëvolueerd. Los van het feit of we dat ding nu een ‘berg’ noemen: hij zou er staan.
Sociale feiten, zoals geld, zijn niet gemakkelijk te reduceren tot een objectieve waarheid. Maar dat wil niet zeggen dat je je in het publieke debat zomaar alles kunt permitteren met dergelijke feiten. Als u bij de bakker een brood wilt meenemen, zult u nog een lastige ochtend beleven als u hem probeert uit te leggen dat die muntjes en briefjes die hij van u verlangt geen waarde hebben. En hoewel er ontzettend veel debat is over de precieze betekenis van de termen ‘links’ en ‘rechts’ in de politiek, gebruikt Pels ze ruimschoots – en wij begrijpen hem.
Meer hoopgevend is Pels’ stelling dat we op zoek moeten naar een “een vrijzinnige politiek die twijfel toelaat en bereid is het eigen perspectief op de proef te stellen.” Juist een dergelijke kritische houding is hetgeen ten grondslag ligt aan goed wetenschappelijk onderzoek. Open staan voor het eigen ongelijk is de kern van het wetenschappelijke bedrijf. Als we alles al weten kunnen we de tent wel sluiten. Daarin speelt, zoals Pels terecht stelt, de rede een belangrijke rol. Het luisteren en serieus in overweging nemen van argumenten van anderen. Maar ook feiten, empirische waarnemingen, zijn daarbij belangrijk. Want zij bieden ons een uitzicht op de (sociale) werkelijkheid.
Elk overtuigend politiek verhaal berust op ideeën. En die ideeën kleuren ons perspectief op de werkelijkheid. Maar het is een vergissing om feiten dientengevolge slechts te beschouwen als framing. Als je serieus het politiek debat aan wilt gaan, moet je ook bereid zijn om uit je eigen frame te stappen. Je kunt sociale feiten nooit helemaal los zien van je standpunt, maar dat betekent niet dat het niet de moeite waard is om te pogen een onderscheid te maken tussen feiten en meningen. Juist omdat argumenten sterker staan als ze verbonden zijn met feiten. Ook dat draagt namelijk bij aan het voeren van een kritisch en vrijzinnig politiek debat.
zondag 19 juni 2011
Politiek: paradox van strijd en compromis
Politiek is strijd, want het gaat om het nemen van beslissingen waarover doorgaans onenigheid bestaat. Als iedereen het altijd eens zou zijn, heb je geen politici nodig. In democratieën wordt deze strijd gevoerd op niet-geweldadige wijze. Niet voor niets noemde Clausewitz oorlog de "voorzetting van politiek met andere middelen". Politiek is strijd en het gaat ergens over.
De andere kant van politiek is het compromis. De doelstelling van (democratische) politiek is te komen tot collectieve besluitvorming. Zeker in een democratisch systeem kun je zo'n besluit niet nemen als er niet op z'n minst enige overeenstemming is. Strijd alleen is niet genoeg. Zelfs in niet-democratieën moeten leiders zich bewust zijn van de gevoelens van het volk. Dit is niet alleen noodzaak, het is ook wenselijk. Wij kiezen politici niet alleen omdat ze een bepaalde visie op zaken hebben, maar ook om die visies om te zetten in beleid. Daarvoor is draagvlak nodig.
Door sommigen worden strijd en compromis als aan elkaar tegengesteld gehouden. Zowel conservatieven als Burke alsook radicale democraten als Rousseau leggen bijzonder veel nadruk op het zoeken van het compromis, of de 'volkswil'. Zij streven vooral naar de eenheid. Populisten hebben in zekere zin dezelfde neiging: de elite negeert volgens hen stelselmatig de eisen van het volk. Natuurlijk, strijd tegen de elite is nu noodzakelijk, maar uiteindelijk moet de politiek niets anders doen dan het implementeren van de wensen van het volk.
Aan de andere kant staan degenen die politiek slechts als een afrekening met het zittende regime zien (Schumpeter). Volgens hen is democratie niets meer dan de mogelijkheid om de regering naar huis te sturen. Zo krijg je een pendule-democratie (Ed Van Thijn): van links naar rechts en weer terug. Er is een voortdurende strijd, maar van compromis is niet echt sprake, want een regering die steunt op een minderheid van de kiezers kan voor een korte periode haar agenda doorvoeren. Gelukkig is de werkelijkheid in landen met zo'n systeem weerbarstiger dan de theorie. Maar een eenzijdige focus op 'afrekenen' leidt enkel tot politieke poppenkast: vermakelijk, maar zonder doel.
Politiek bestaat bij de gratie van de spanning tussen strijd en compromis. Hoe worden verschillende voorkeuren en belangen (strijd) meegewogen in de vorming van collectief beleid (compromis)? Dit kruispunt is niet alleen bijzonder fascinerend, het is ook in normatieve zin van belang dat beide elementen in evenwicht worden gehouden. Politiek zonder strijd is de dood in de pot. Politiek zonder compromis mist zowel richting als doel. Partijen, in het bijzonder coalitiepartijen, moeten zich dat realiseren: verkoop het compromis niet als je eigen program. Doe als Bolkestein tijdens Paars-I en voer de strijd aan de hand van eigen overtuigingen, maar leg je als dat nodig is neer bij het gesloten compromis. Dát is eerlijke en heldere politiek.
zondag 12 juni 2011
Leuke politieke debatten zijn vaak het minst zinvol
Het Nederlandse vragenuurtje is vaak behoorlijk saai. Kamerleden buitelen over elkaar heen om de mogelijkheid tot gratis publiciteit te benutten, maar het debat leidt meestal tot niks. De Tweede Kamer weet zelf ook niet precies meer wat ze met het vragenuur moet en experimenteert daarom met de opzet. Meer vragenstellers, maar minder interrupties. Geen aanvullende vragen, of toch weer wel. Varianten genoeg, maar onverdeeld succesvol is het niet. Nu vraagt de Tweede Kamer maar aan het publiek hoe ze zou moeten discussiëren.
Vaak wordt in Nederland bewonderend gekeken naar de Britse parlementaire politiek. In Westminster, daar wordt tenminste politiek debat op het scherpst van de snede gevoerd. De Britse Prime Minister's Questions geven vrijwel elke week politiek vuurwerk. Premier tegen oppossitieleider. Dat is pas leuk.
Leuk is het zeker. Maar de vraag is of het ergens toe leidt. Je kunt zeggen dat een debat zinvol is als het vermakelijk is of als het tenminste enig inzicht geeft in de politieke tegenstellingen. In dat opzicht gooit het Britse parlement hoge ogen. Maar de belangrijkste functie van het parlement is niet het verzorgen van een wekelijks cabaret of het vrijblijvend roeptoeteren van wat er in je opkomt na het lezen van de Telegraaf. Kamerleden moeten de regering op een zorgvuldige wijze controleren en goede wetten maken. Juist op deze punten bestaan nogal wat zorgen.
De kwaliteit van het politieke debat kan worden vastgesteld met behulp van de Discourse Quality Index, ontwikkeld door Steiner et al. Zij kijken naar de mate waarin politici respectvol met elkaar omgaan en bereid zijn te luisteren naar elkaars argumenten. Daarbij laten ze zien dat juist in consensusdemocratiën, zoals Zwitserland (en Nederland), maar ook in het Europees Parlement, de kwaliteit van het parlementaire debat hoger is dan in meerderheidsstelsels zoals Engeland. Juist in een respectvol debat wordt de regering echt scherp gehouden en de wetsvoorstellen kwalitatief beter. Niet voor niets dat veel Eerste Kamerleden juist deze argumenten noemen ter verdediging van de rol van hun instituut.
Het neerzetten van politieke verschillen is nodig. Maar het heeft weinig zin om net als in Engeland een ritueel gevecht tussen regering en oppositie te ensceneren. De oppositie is boos/verontwaardigd/verontrust en de regering zegt dat het allemaal wel mee valt/ze de problemen al aan het aanpakken zijn/ze daar nu zeker stevig mee aan de slag gaan. En dat is nog het beste geval. Tijdens het Britse vragenuur vangen de heren elkaar vooral professioneel vliegen af. Leuk, maar je schiet er niets mee op. Je lost de drang van Tweede Kamerleden om in het nieuws te komen niet op met een poging het vragenuur 'op te leuken'. We krijgen daarmee misschien meer vermaak op de dinsdagmiddag, maar geen beter functionerend parlement.
zondag 30 mei 2010
Peilingen en de winnaar van het Carrédebat
Anderhalve dag later kwam ook Maurice de Hond met een peiling over de winnaar. Ook uit zijn peiling kwam Rutte als beste uit de bus, zelfs met een duidelijk hoger percentage: 34%. En de nummer twee was hier duidelijk Roemer, met 22%, voor Balkenende met 10%. Dat zijn nogal verschillen, ruim buiten de foutmarge. Er zijn natuurlijk vele problemen met peilingen, waardoor de foutmarge vaak groter is dan in het geval je een willekeurige steekproef zou trekken. Maar hier was volgens mij iets anders aan de hand. De peiling van De Hond werd pas de volgende dag uitgevoerd. Gedurende die dag kopten bijna alle media zoiets als: “Rutte wint; Roemer verrast”. Dat blijkt invloed te hebben: beide heren winnen zo’n 10 procentpunt ten opzichte van de Synovate peiling. Media-aandacht winnen lijkt dus minstens zo belangrijk als het winnen van het debat. Rutte verstevigt zijn positie en Roemer is ineens de Nick Clegg van de Lage Landen.
Eén kwalificatie kun je wel maken bij die uitslagen. Want het is voor de leider van een grote partij natuurlijk makkelijker om mensen te overtuigen dan voor een lijsttrekker van een kleine partij. Het gaat er om of je meer mensen overtuigt dan je eigen achterban, zoals Synovate al stelde. Die verhouding tussen winnaar van het debat zijn en het percentage stemmen in de peilingen, geeft aan wie meer dan de eigen achterban weet te overtuigen. In de grafiek zie je dat Roemer en Halsema in beide peilingen ruim boven de 100 scoren: zij overtuigen meer mensen dan de eigen achterban. In één van de twee peilingen scoren ook Rutte en Pechtold boven deze grens. Cohen doet het naar deze maatstaf duidelijk het slechtste: volgens de peiling van de Hond riep maar 7 procent hem als winnaar uit, terwijl hij wel 19 procent van de stemmen trekt.
Daarnaast is natuurlijk van belang welke kiezers iemand als winnaar uitroepen. De Hond vroeg zijn respondenten de deelnemers aan het debat op volgorde te zetten: van 1 (de beste) tot 8 (de slechtste). Het gemiddelde voor de kiezers van elke partij is hier gebruikt om een grafische weergave te maken van de verhouding tussen de kiezers van elke partij en hun scores voor de lijsttrekker. De partijlabels staan hier voor de kiezers van elke partij. Staat een groep kiezers dicht bij een lijsttrekker, dan vindt men dat deze het relatief goed heeft gedaan. Bijvoorbeeld: de PVV-kiezers waren tevreden over Wilders en Rutte, terwijl ze Cohen gemiddeld een lage ranking gaven. De CDA’ers staan dicht bij Balkenende maar ver van zowel Cohen als Wilders. De PvdA-kiezers moesten juist weer niets van Balkenende (en Wilders) hebben. Pijnlijk voor Cohen is dat zijn eigen achterban gemiddeld genomen Roemer hoger plaatste dan Cohen zelf. De twee winnaars van het debat (zeker in de peiling van De Hond) staan in het midden: Rutte en Roemer. Zij doen het goed onder kiezers van alle partijen, hoewel Rutte het duidelijk beter doet onder rechtse kiezers en Roemer onder linkse kiezers. De positie van Rouvoet is wat vertekend omdat De Hond geen informatie presenteert over de ChristenUnie kiezers, waarschijnlijk omdat die groep te klein is.
Het is interessant om te zien dat de traditionele driehoek in de Nederlandse politiek hier ook weer terug te zien is: links – economisch rechts – christelijk. Dit patroon wordt wel enigszins ‘verstoord’ doordat Rutte en Roemer het gemiddeld genomen goed hebben gedaan bij alle kiezers, maar is desalniettemin duidelijk zichtbaar, vooral in de positie van de lijsttrekkers. Kortweg: hou je van Wilders, dan moet je niets hebben van Balkenende en Cohen. Kiezersgroepen die van Balkenende houden, vinden juist Wilders en Cohen maar niks. En Cohen-getrouwen verafschuwen zowel Balkenende als Wilders. Het feit dat de ideologische tegenstellingen tussen partijen duidelijk naar voren komen laat zien dat in de beoordeling van het debat niet alleen meespeelt wie de beste debater is, maar ook welke argumenten worden gebruikt. Dat zouden de heren bij de naborrel wel wat duidelijker naar voren kunnen brengen.
Het onervaren Kamerlid. Over de dalende zittingsduur van parlementsleden.
Het Kamerlidmaatschap wordt steeds meer een carrièrestap in plaats van een roeping. Het is een opstapje naar een ministerschap, staatssecretariaat, lokaal bestuurder of een andere functie binnen of buiten de overheid. Nu is het niet zo slecht dat Tweede Kamerleden geen enorme plucheklevers zijn, maar enige balans tussen doorstroom en ervaring is wel belangrijk. De Kamer vormt immers de tegenmacht tegen regering en ambtenarij; om die controlerende taak uit de voeren is ervaring belangrijk.
In de huidige Tweede Kamer is bijna de helft (71 personen) korter dan 4 jaar Kamerlid. De meesten van hen zijn tijdens of na de verkiezingen in 2006 in de Tweede Kamer gekomen. Nog eens 37 personen zitten maximaal 8 jaar in de Kamer (die zijn dus voor het eerst verkozen na mei 2002). Slechts 28 Kamerleden hebben meer dan 10 jaar ervaring. Onder die ervaren Kamerleden bevinden zich SGP-fractievoorzitter Bas van der Vlies, GroenLinks-fractievoorzitter Femke Halsema en PVV-fractievoorzitter Geert Wilders. Gemiddeld genomen is de parlementaire ervaring nu iets meer dan 6 jaar. Ter vergelijking: in Engeland was de gemiddelde zittingsduur kort voor de verkiezingen in mei bijna 15 jaar. Ministers zijn daar ook parlementslid, wat de cijfers iets vertekent, maar zelfs dan: een groot verschil.
Tussen de Tweede Kamerfracties zitten enkele opvallende verschillen. De twee SGP’ers hebben samen meer parlementaire ervaring dan de negenkoppige PVV-fractie bij elkaar. Naast de nestor van de Kamer Van der Vlies, heeft ook Kees van der Staaij (SGP) namelijk al ruim 12 jaar ervaring. Partijen die bij de vorige verkiezing veel gewonnen hebben, zien we onderaan. De fracties van de PvdD en lid Verdonk waren geheel nieuw in 2006, maar ook bij de PVV en SP waren veel nieuwe gezichten te zien. De ChristenUnie-fractie werd sterk vernieuwd nadat André Rouvoet en Tineke Huizinga naar het kabinet vertrokken. De overige fracties zitten allemaal rond de zes jaar. Opvallend is daarbij dat de fractie van GroenLinks gemiddeld ruim 7 jaar ervaring heeft, terwijl deze partij in haar regels heeft staan dat een parlementariër maximaal 12 jaar mag zitten. Die regel leidt er dus niet noodzakelijkerwijs toe dat de ervaring van de fractie laag is.
Sommige oud-politici klagen wel eens dat de parlementaire ervaring sterk is afgenomen. Er is inderdaad sprake van een afname van de gemiddelde zittingsduur. De grafiek hierboven laat de gemiddelde zittingsduur van Tweede Kamerleden in de periode van 1950 tot 2010 zien. Bij elke verkiezing komen er weer veel nieuwe Kamerleden zonder ervaring binnen; vandaar zien wel sterke schommelingen door de tijd heen.
De ervaring van Kamerleden is door de tijd heen afgenomen. Kort voor de verkiezingen van 1956 was de gemiddelde ervaring bijna 10 jaar, kort voor de verkiezingen van 2006 was die ervaring nog geen 6 jaar. Opvallend is dat in de periode 1956-1980 al eerder sprake was van een afname van de gemiddelde ervaring (als je kijkt naar de ervaring net voor de verkiezingen, de pieken). In de jaren 1980 nam de gemiddelde ervaring juist weer toe: in die tijd bezetten de grote drie partijen nog het leeuwendeel van het aantal zetels en kiezersverschuivingen waren nog niet heel groot.. De verkiezingen van 1994 vormen weer een breekpunt. Niet alleen verloren CDA en PvdA toen sterk en wonnen D66 en de VVD aanzienlijk, ook de verliezende partijen hadden veel nieuwe kandidaten op hun lijsten. Dit zorgde voor de grootste afname van parlementaire ervaring in de naoorlogse periode. Sindsdien is er elke parlementaire periode een afname: de pieken (net voor de verkiezingen) en dalen (net na de verkiezingen) zijn lager.
De negatieve tendens lijkt in de huidige periode te stabiliseren: net voor de verkiezingen in 2006 was de gemiddelde ervaring minder dan 6 jaar, nu is die net iets hoger (terwijl de zittingsperiode iets korter was). Ook het dal na de verkiezingen is naar verwachting is lager. De rode stip geeft aan wat de gemiddelde parlementaire ervaring na de verkiezingen zal zijn als de laatste Politieke Barometer de uitslag correct zou voorspellen. Dit dal is iets minder diep dan in 2006. De vraag is wel hoeveel ervaring er nog verloren zal gaan als een nieuw kabinet wordt gevormd. De dip kan dus nog iets dieper worden, maar waarschijnlijk niet veel dieper dan tijdens de vorige periode.
De Tweede Kamer als geheel is dus minder ervaren dan 20 jaar geleden. De instroom van nieuwe leden is tijdens verkiezingen hoger dan voorheen. Dit beeld is sinds de verkiezingen van 1994 waar te nemen. Dit hangt niet alleen af van politici en partijen. Ook de grote kiezersverschuivingen zorgen er voor dat bij sommige partijen veel ervaring verloren gaat, terwijl bij andere partijen veel nieuwe Kamerleden moeten worden ingewerkt. Wie klaagt over de ervaring van parlementsleden kan daar dus zelf ook wat aan doen, bij de verkiezingen.
Voor de analyses van de zittingsduur van Kamerleden is dankbaar gebruik gemaakt van het bibliografisch archief van het Parlementair Documentatie Centrum.






