Pages

Posts tonen met het label lijsttrekkers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label lijsttrekkers. Alle posts tonen

dinsdag 15 juni 2010

Stemmen op de lijsttrekkers: Wilders, Halsema en Van der Staaij doen het goed

Geert Wilders krijgt relatief gezien de meeste voorkeursstemmen: 95% van de PVV-stemmers kiest voor de lijsttrekker van die partij. Dat blijkt uit de officiële uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen die de Kiesraad vandaag bekend maakte. Ongeveer 84% van de kiezers stemde op één van de lijsttrekkers, terwijl de rest dus koos voor één van de andere kandidaten op de lijst. Daardoor haalden dertig kandidaten de voorkeursdrempel, die een kwart van de kiesdeler is. Sabine Uitslag (CDA) en Pia Dijkstra (D66) danken hier hun Kamerzetel aan: zonder het systeem van de voorkeursstemmen waren zij niet verkozen, omdat ze te laag op de kieslijst stonden.

Het aantal stemmen op de lijsttrekkers hangt sterk samen met het totaal aantal stemmen op hun partij. Er zijn een aantal kleine verschillen. In onderstaande figuur staat het verband weergeven. Lijsttrekkers die onder de lijn staan hebben relatief veel stemmen gekregen, terwijl lijsttrekkers boven de lijn juist weinig persoonlijke stemmen kregen. Geert Wilders, Kees van der Staaij en Femke Halsema kregen relatief de meeste voorkeursstemmen. Wilders is immers de oprichter en onbetwiste leider van zijn partij, terwijl Halsema ook GroenLinks-kiezers trekt die op de ‘hoogste vrouw’ stemmen – bij andere partijen wijken die kiezers uit naar de nummer twee of drie. Bij de SGP stemt men traditioneel op de lijsttrekker; kiezen op de hoogste vrouw is er daar immers ook niet bij. Jan Peter Balkenende (CDA) deed het relatief het slechtste: slechts 74% van de CDA’ers koos voor hem.

Vergelijken met vier jaar gelden zijn er voor een aantal lijsttrekkers grote verschuivingen. Mark Rutte (VVD) moest in dat jaar als eerste lijsttrekker uit de geschiedenis zijn meerdere erkennen in zijn nummer twee, Rita Verdonk. Rutte zelf haalde maar 38% van de VVD-stemmen. Op 9 juni kreeg Rutte 84% van de VVD-stemmers achter zich. Ook Pechtold deed het vier jaar geleden vrij slecht: hij kreeg slechts 50% van de D66’ers achter zich (mede doordat veel Turkse kiezers voor Koser Kaya stemden). Vorige week deed hij het een stuk beter met 78%, hoewel ook dat percentage lager ligt dan bij andere partijen. Dat zegt wellicht meer over de D66-kiezer dan over de aantrekkingskracht van de lijsttrekker. Opvallend is dat ook Roemer het goed doet: 86% van de SP-kiezers stemt op hem, meer dan de 82% die Marijnissen wist te trekken. Halsema weet haar eigen score uit 2006 te verbeteren: zij weet haar gestegen populariteit dus ook in meer persoonlijke stemmen om te zetten (van 86% naar 92%).

Kleine dalingen in het aantal lijsttrekkersstemmen zijn er bij de PvdA, de ChristenUnie en de PvdD. Het inmiddels beruchte Cohen-effect vertaalt zich dus niet in meer stemmen voor de PvdA-lijsttrekker dan in 2006. Bij het CDA is de daling opvallend: Balkenende krijgt tien procentpunt minder van het CDA-electoraat achter zich. Deels kan dit worden verklaard door de waarschijnlijk trouwe achterban van een aantal CDA-regiokandidaten (bijvoorbeeld Sabine Uitslag), maar de gedaalde populairteit van de oud-CDA leider zal waarschijnlijk ook een rol hebben gespeeld.

Na de opvallende verschillen in de resultaten voor de lijsttrekkers in 2006 geven de uitslagen van dit jaar vooral een evenredig beeld. Gemiddeld stemt 84% van de kiezers op de lijsttrekkers, met relatief kleine plussen (Wilders, Van der Staaij, Halsema) en minnen (Balkenende, Pechtold). Dit zegt niet direct iets over de populariteit van de lijsttrekker, maar uit de vergelijking met 2006 valt wel af te leiden dat de lijsttrekkers die in deze campagne in een positief daglicht stonden het ook qua persoonlijke stemmen relatief goed hebben gedaan. De meeste verliezers merken dit ook in het aantal stemmen dat ze zelf kregen.

maandag 31 mei 2010

Partijleiders als Telegraaf-journalist: weinig nieuws onder de zon

Vandaag mochten de lijsttrekkers van vijf grotere partijen (CDA, PvdA, VVD, PVV en D66) twee pagina's in de Telegraaf vullen. Deze kans op gratis propaganda lieten ze natuurlijk niet onbenut. Wat hadden ze te zeggen? Hieronder vijf Wordle's van de partijpagina's. Deze Wordle's geven niet weer hoe vaak een partij een woord heeft gebruikt, zoals normaal. Deze plaatjes laten zien welke woorden relatief vaak worden gebruikt door partijen. De partijnamen en namen van de lijsttrekkers zijn overal weggelaten.

CDA
Bij het CDA zijn er een heleboel kandidaten: Maxime Verhagen, De Jager, Ab Klink, Marja van Bijsterveldt. Die worden vaak genoemd. Daarnaast is er aandacht voor Nederlandse helden, zoals Vrijwilligers, (Schoenfabriek) Van Bommel en André Rieu. Er staat wel een artikel over de hypotheekrenteaftrek in, maar dat komt niet sterk naar voren. Waarom niet is wel duidelijk als je de VVD-Wordle bekijkt.

PvdA
De PvdA heeft veel aandacht voor economische thema's: overheidsfinanciën, banken, inkomen, lasten, belasting, schouders. Er staan wel wat namen van kandidaten tussen (Plasterk), maar veel minder dan bij het CDA.

VVD
Voor een partij die geen breekpunt wil maken over het H-woord, besteedt de VVD er toch behoorlijk veel aandacht aan. Bijna alle woorden die ook maar iets met wonen te maken hebben, komen vaak voor bij de VVD (zelfs half afgebroken varianten komen meermalen voor!). Daarnaast aandacht voor sport, afschaffen, en voor enkele kandidaten zoals Teeven en De Krom.

PVV
De PVV weet niet echt te verrassen: de aan immigratie verbonden woorden zijn prominent. Eén naam staat prominent vermeld, maar die is niet van een PVV-kandidaat. De PVV verwijst verder graag naar oud-premier Drees' staatspensioen (die overigens wel voor (geleidelijke) verhoging van de AOW-leeftijd was).

D66

Ook D66 noemt vaak namen van kandidaten, zoals Magda Berndsen en Boris van der Ham. De naam van Peter R. de Vries komt ook vaak voor; hij werd geïnterviewed in het D66-katern (onder andere over 'politie'). Daarnaast aandacht voor een aantal liberale en hedendaagse onderwerpen: donorregistratie, humanistisch verbond, twitter en games.

Deze impressie geeft weinig verassingen. Het CDA benadrukt Hollandse waarden, de PvdA economie en eerlijk delen, de VVD de hypotheekrenteaftrek, de PVV de immigratie en D66 (links-)liberale thema's. De partijen kiezen dus duidelijk voor de onderwerpen die ze denken te kunnen 'claimen' als hun thema. Een traditionele aanpak. Ook met journalisten op de redactie dus weinig nieuws onder de zon.

zondag 30 mei 2010

Peilingen en de winnaar van het Carrédebat

Na afloop van een politiek debat moet er om de één of andere reden altijd een winnaar worden aangewezen. Als u namelijk dacht dat zo’n debat een democratisch evenement was om de verschillen en overeenkomsten tussen partijen uiteen te zetten, heeft u het hartstikke fout. Het is een wedstrijd waarin de overtuigingskracht vooral wordt afgemeten aan de gulle lach en goede grap dan de inhoudelijke kracht van het argument. Het is immers veel makkelijker om achteraf te zeggen dat iemand er losjes bijstond dan of zijn inhoudelijke argumenten goed naar voren kwamen. Kijk de nabeschouwing er maar op na.

Om dan toch een ‘winnaar’ te kunnen uitroepen organiseerde RTL een door Synovate uitgevoerde peiling. Ongeveer 500 mensen gaven kort na het debat hun mening: wie had er gewonnen. Wat bleek: 23% vond Rutte de beste. Niet echt een grand slam, maar een duidelijke voorsprong op Halsema, de nummer twee. Overigens wisten de heren aan de nabeschouwingstafel daar weinig raad mee. Waarom was Halsema nou twee en niet Roemer? De SP-voorman had toch veel betere grappen gemaakt? Dat in een peiling met 500 mensen een verschil van 1% ruim binnen de foutmarge valt, konden de heren even niet bedenken. Of dat Halsema blijkbaar toch een bepaalde groep had weten te overtuigen ook niet.

Anderhalve dag later kwam ook Maurice de Hond met een peiling over de winnaar. Ook uit zijn peiling kwam Rutte als beste uit de bus, zelfs met een duidelijk hoger percentage: 34%. En de nummer twee was hier duidelijk Roemer, met 22%, voor Balkenende met 10%. Dat zijn nogal verschillen, ruim buiten de foutmarge. Er zijn natuurlijk vele problemen met peilingen, waardoor de foutmarge vaak groter is dan in het geval je een willekeurige steekproef zou trekken. Maar hier was volgens mij iets anders aan de hand. De peiling van De Hond werd pas de volgende dag uitgevoerd. Gedurende die dag kopten bijna alle media zoiets als: “Rutte wint; Roemer verrast”. Dat blijkt invloed te hebben: beide heren winnen zo’n 10 procentpunt ten opzichte van de Synovate peiling. Media-aandacht winnen lijkt dus minstens zo belangrijk als het winnen van het debat. Rutte verstevigt zijn positie en Roemer is ineens de Nick Clegg van de Lage Landen.


Eén kwalificatie kun je wel maken bij die uitslagen. Want het is voor de leider van een grote partij natuurlijk makkelijker om mensen te overtuigen dan voor een lijsttrekker van een kleine partij. Het gaat er om of je meer mensen overtuigt dan je eigen achterban, zoals Synovate al stelde. Die verhouding tussen winnaar van het debat zijn en het percentage stemmen in de peilingen, geeft aan wie meer dan de eigen achterban weet te overtuigen. In de grafiek zie je dat Roemer en Halsema in beide peilingen ruim boven de 100 scoren: zij overtuigen meer mensen dan de eigen achterban. In één van de twee peilingen scoren ook Rutte en Pechtold boven deze grens. Cohen doet het naar deze maatstaf duidelijk het slechtste: volgens de peiling van de Hond riep maar 7 procent hem als winnaar uit, terwijl hij wel 19 procent van de stemmen trekt.


Daarnaast is natuurlijk van belang welke kiezers iemand als winnaar uitroepen. De Hond vroeg zijn respondenten de deelnemers aan het debat op volgorde te zetten: van 1 (de beste) tot 8 (de slechtste). Het gemiddelde voor de kiezers van elke partij is hier gebruikt om een grafische weergave te maken van de verhouding tussen de kiezers van elke partij en hun scores voor de lijsttrekker. De partijlabels staan hier voor de kiezers van elke partij. Staat een groep kiezers dicht bij een lijsttrekker, dan vindt men dat deze het relatief goed heeft gedaan. Bijvoorbeeld: de PVV-kiezers waren tevreden over Wilders en Rutte, terwijl ze Cohen gemiddeld een lage ranking gaven. De CDA’ers staan dicht bij Balkenende maar ver van zowel Cohen als Wilders. De PvdA-kiezers moesten juist weer niets van Balkenende (en Wilders) hebben. Pijnlijk voor Cohen is dat zijn eigen achterban gemiddeld genomen Roemer hoger plaatste dan Cohen zelf. De twee winnaars van het debat (zeker in de peiling van De Hond) staan in het midden: Rutte en Roemer. Zij doen het goed onder kiezers van alle partijen, hoewel Rutte het duidelijk beter doet onder rechtse kiezers en Roemer onder linkse kiezers. De positie van Rouvoet is wat vertekend omdat De Hond geen informatie presenteert over de ChristenUnie kiezers, waarschijnlijk omdat die groep te klein is.

Het is interessant om te zien dat de traditionele driehoek in de Nederlandse politiek hier ook weer terug te zien is: links – economisch rechts – christelijk. Dit patroon wordt wel enigszins ‘verstoord’ doordat Rutte en Roemer het gemiddeld genomen goed hebben gedaan bij alle kiezers, maar is desalniettemin duidelijk zichtbaar, vooral in de positie van de lijsttrekkers. Kortweg: hou je van Wilders, dan moet je niets hebben van Balkenende en Cohen. Kiezersgroepen die van Balkenende houden, vinden juist Wilders en Cohen maar niks. En Cohen-getrouwen verafschuwen zowel Balkenende als Wilders. Het feit dat de ideologische tegenstellingen tussen partijen duidelijk naar voren komen laat zien dat in de beoordeling van het debat niet alleen meespeelt wie de beste debater is, maar ook welke argumenten worden gebruikt. Dat zouden de heren bij de naborrel wel wat duidelijker naar voren kunnen brengen.