Pages

maandag 31 januari 2011

Ledenwinst politieke partijen: vooral kleine partijen populair

De kleinere politieke partijen hebben gezamenlijk voor het eerst meer leden dan de grote drie bij elkaar. Op 1 januari waren bijna 320.000 mensen lid van een politieke partij, zo blijkt uit gegevens van het DNPP die eerder deze maand bekend werden gemaakt. Het CDA blijft de grootste ledenpartij, maar raakte wel netto ruim 1400 leden kwijt. Met name GroenLinks en D66 deden het goed (resp. +6000 en +3000). In totaal is nu ongeveer 2,55% van de kiesgerechtigde bevolking lid van een politieke partij.



Hoewel verkiezingsjaren altijd een opleving laten zien van de ledenaantallen van politieke partijen, lijkt het ledenverlies van politieke partijen de laatste jaren te zijn stagneerd. Als we de trend uitsplitsen naar grote (CDA/PvdA/VVD) en kleine partijen (alle andere), zien we dat beide groepen boven hun trendlijn zitten. De afname van de ledenaantallen van grote politieke partijen is de laatste jaren kleiner dan over de gehele periode sinds 1978. De kleine partijen groeien al sinds het begin van de jaren 1990, maar doen dat de laatste 9 jaar zelfs relatief snel. Dit is natuurlijk exclusief de Partij voor de Vrijheid (PVV), die er voor heeft gekozen om geen ledenpartij te willen zijn. Als we hun sympathisanten mee zouden nemen, zou de stijging van het aantal partijaanhangers waarschijnlijk nog sterker zijn toegenomen.



Sommige kleine partijen weten relatief veel te trekken. Als we kijken naar het aantal Tweede Kamerzetels per 1000 leden, zien we dat de SGP'ers zich met de minste Kamerzetels tevreden moeten stellen in verhouding tot het ledenaantal: ruim 27.000 leden tegenover twee zetels. Verkiezingswinnaar VVD heeft echter voor bijna 38.000 leden 31 Kamerzetels. Andere partijen die gezien hun electoraat weinig leden hebben zijn de PvdA en, ondanks hun sterke groei, D66 en GroenLinks. De SP was altijd een relatief grote ledenpartij, maar staat in verhouding tot het Kamerzetels nu ongeveer gelijk aan het CDA, doordat het aantal SP leden relatief stabiel bleef in de afgelopen jaren, terwijl het CDA in zeteltal duikelde. ChristenUnie en PvdD weten relatief veel leden te trekken in verhouding tot hun electoraat.

maandag 13 december 2010

Halsema relatief populairst in verkiezing Politicus van het Jaar

Geert Wilders (PVV) kreeg in de verkiezing voor de Politicus van het Jaar van EenVandaag de meeste stemmen: 17,5% van de 30.000 deelnemers aan de verkiezing van het programma kozen voor de PVV-leider. Femke Halsema (GroenLinks) wist in verhouding tot het stemmenaantal van haar partij de meeste stemmen binnen te halen. Naast Halsema wisten ook Roemer (SP), Wilders en een aantal CDA-politici relatief veel stemmen te trekken in de Eenvandaag peiling.

Hoewel het binnenhalen van de meeste stemmen natuurlijk een knappe prestatie is, zegt dat niet noodzakelijkerwijs iets over de statuur van een politicus. De leider van een grote partij heeft immers een grotere schare sympathisanten dan die van een kleine. Als alle VVD-stemmers bij de laatste verkiezingen op Rutte zouden hebben gestemd bij de verkiezing van Politicus van het Jaar, zou hij deze ruim hebben gewonnen. De leider van een kleinere politieke partij zal relatief minder stemmen halen. Het is dus informatiever om te kijken naar de verhouding tussen het aantal stemmen bij de Politicus van het Jaar-verkiezing en het aantal stemmen bij de laatste Kamerverkiezingen. Op deze manier zie je welke politicus meer en welke minder persoonlijke stemmen kreeg bij de Politicus van het Jaar verkiezingen, dan je op basis van het stemmenaantal bij de verkiezingen zou verwachten.


De grafiek bevat het percentage van de stemmen in de Beste Politicus verkiezing gedeeld door het percentage van de stemmen voor de bijbehorende partij tijdens de laatste verkiezingen (voor de top-10 en Cohen). Halsema kreeg ruim anderhalf keer zoveel stemmen bij EenVandaag als GroenLinks bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen, terwijl Rutte het met iets minder dan 80% van de VVD-score bij de Tweede Kamerverkiezingen moest stellen. Bij het CDA en de PvdA zijn meer politici in de top-10 terecht gekomen. Voor hen is het stemmenpercentage van de partij gelijkelijk verdeeld (bij CDA gedeeld door 5, bij PvdA gedeeld door 3); daardoor is de bij hen vermelde verhouding eerder een over- dan een onderschatting van hun populariteit.

Het is overigens problematisch om op basis van de EenVandaag peiling iets te zeggen over de voorkeuren het gehele electoraat. Het EenVandaag Opiniepanel is een zogenaamd zelf-geselecteerd panel: iedereen kan zich opgeven. Dit betekent dat sommige groepen oververtegenwoordigd zijn in de steekproef. Hoewel dit door weging deels gecorrigeerd kan worden, zullen bepaalde groepen waarschijnlijk oververtegenwoordigd blijven in de uiteindelijke uitslag. In het geval van de verkiezing van de Politicus van het Jaar komt daarbij dat mensen actief is opgeroepen om deel te nemen aan de 'verkiezing', waardoor de kans op een vertekend resultaat nog groter is. Dit wil niet zeggen dat de resultaten van het Opiniepanel noodzakelijkerwijs afwijken van de mening van het gehele electoraat: dat is onbekend.

vrijdag 3 december 2010

Hoe meer peilingen, hoe beter: een analyse van de steun voor de coalitiepartijen

De aanhang van de coalitiepartijen VVD, CDA en PVV is sinds het aantreden van het kabinet gestegen, maar in de laatste maand stabiel. Die trend valt te ontwaren uit de peilingen van de Politieke Barometer, Peil.nl en TNS NIPO, als je alle gegevens bij elkaar neemt. Vanaf de presentatie van het regeerakkoord was er een stijging van de steun voor de regeringspartijen, maar deze stijging vlakte vanaf eind oktober af. De affaire-Lucassen laat wel een verschuiving binnen de coalitie zien: de PVV verloor, terwijl het CDA won. De VVD steeg al sinds de zomer, maar lijkt wat af te vlakken.

De bovenstaande conclusies trek ik op basis van een analyse van alle peilingen sinds de verkiezingen van de Politieke Barometer, Peil.nl en TNS NIPO. In de onderstaande figuur zijn de percentages voor VVD, PVV en CDA in elke peiling weergegeven met gekleurde bollen. Met behulp van een door Simon Jackman ontwikkelde methode, kun je per dag berekenen wat de procentuele steun voor een partij of combinatie van partijen is, waarbij je al deze gegevens meeneemt. Peilingen zijn misschien wel onzeker en overschat, maar toch geldt: hoe meer je er hebt, hoe meer we weten.

Gekleurde bollen geven peilingen van de Politieke Barometer (blauw), Peil (rood) en TNS Nipo (groen). De zwarte lijn geeft de gemiddelde verwachting na 1 miljoen MCMC simulaties, het grijze gebied is een 95% waarschijnlijkheidsinterval. 


De methode werkt ongeveer als volgt. We gaan er vanuit dat de werkelijke steun voor de coalitie op een bepaalde dag wordt gemeten door de peilingen. Die hebben een foutmarge, omdat ze niet iedereen naar hun stemgedrag vragen, maar slechts 1000 of 1500 mensen (Peil.nl en de Politieke Barometer geven geen precieze aantallen per peiling, ik heb gerekend met 1500 respectievelijk 1000 respondenten). Als een peiling met 1000 mensen schat dat de coalitie 50% steun heeft, dan kun je er in 95% van de gevallen vanuit gaan dat de 'echte' steun ergens tussen de 47% en 53% ligt. Als er op een dag geen peiling is, gaat het model er vanuit dat de steun voor de coalitie gelijk is aan die van gisteren plus of minus een klein beetje ("random walk"). Hoe langer een peiling in het verleden ligt, hoe meer afwijkingen er kunnen zijn: mensen kunnen immers van mening veranderen. Als er weer een nieuwe peiling komt, wordt de schatting weer preciezer: we hebben immers weer meer gegevens over de stemvoorkeuren van mensen. Op deze manier kun je met behulp van een Markov Chain Monte Carlo (MCMC) model voor elke dag sinds de verkiezingen een inschatting maken van de steun voor de coalitiepartijen.

De bovenstaande figuur geeft aan dat er best wel wat onzekerheid is over de precieze steun voor de coalitie. De gemiddelde verwachting wordt weergegeven door de zwarte lijn, maar eigenlijk weten we maar met 95% zeker dat de steun voor de coalitiepartijen ergens in het grijze gebied ligt. Daarbij gaat dit model er ook nog vanuit dat de peilingbureaus de steun voor VVD/PVV/CDA niet stelselmatig over- of onderschatten ("huiseffecten") en dat ze net zo nauwkeurig zijn als je op basis van willekeurige steekproeftrekking kunt verwachten ("designeffecten"). Als je die aannames loslaat, blijft dezelfde ontwikkeling te zien, maar is de onzekerheidsmarge groter. In zekere zin geeft onderstaande figuur het meest rooskleurige beeld: de werkelijke onzekerheidsmarges zijn eerder groter dan kleiner.

Desalniettemin geven dit soort analyses toch meer informatie dan 'losse'  peilingen. Door het bundelen van informatie weten we meer over de 'echte'  voorkeuren van kiezers. Daarnaast laat het zien welke onzekerheden er zijn - en dat het dus onzin is om verschuivingen van enkele zetels in peilingen met ingewikkelde of simplistische verklaringen te duiden: grote kans dat er helemaal niets aan de hand was.

In volgende posts zal ik meer schrijven over het beeld van individuele partijen en laten zien wat er gebeurt als je zogenaamde 'huiseffecten' van peilingsbureaus meeneemt in de analyse.

maandag 15 november 2010

Een veroordeeld Kamerlid is ook gekozen

Zesentachtig procent van de respondenten in een peiling van Maurice de Hond vindt dat iemand die voor ontucht is veroordeeld geen Kamerlid zou mogen worden.  Een 'viezerik' hoeven we blijkbaar niet. Dat roept de vraag op of überhaupt een veroordeelde crimineel tot Kamerlid zou mogen worden gekozen. Wie wil er immers een moordenaar in de Kamer? Los van de afschuw over het plegen van een moord, zou dit voor nabestaanden pijnlijk kunnen zijn.

De wet biedt de mogelijkheid om iemand die tot een gevangenisstraf van een jaar of langer is veroordeeld het actief en passief kiesrecht (tijdelijk) te ontnemen. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij oorlogsmisdadigers. Deze straf wordt echter maar zelden opgelegd, zelfs niet aan de moordenaar van Theo van Gogh. Iemand blijft immers onderdeel van de maatschappij, ook als gestrafte. Na het uitzitten van de straf moet iemand weer actief gaan deelnemen. Daarbij hoort het recht om te kiezen en gekozen te worden. Levenslange uitsluiting van het kiesrecht past niet, net zo min als levenslange gevangenisstraf, behalve voor de meest wrede misdaden.

Bedenk dat Ferdinand Domela Nieuwenhuis, Pieter Jelles Troelstra en Hans Janmaat als veroordeelden in de Kamer hebben gezeten. Waren hun daden zo abject dat zij geen goede volksvertegenwoordigers meer konden zijn? Gezien het feit dat ze zijn veroordeeld voor majesteitsschennis, het beledigen van een officier van justitie en discriminatie, is dat maar zeer de vraag. En wie moet dan beoordelen of een misdaad te erg is? Het is terecht dat de rechter hierin zeer terughoudend is. Je kunt het ook omdraaien: de gedragingen waarvoor het PVV-Kamerlid Lucassen niet door de rechter veroordeeld is (zijn gedrag in een wijk in Haarlem) lijken minstens zo bezwaarlijk voor zijn functioneren als Kamerlid als de ontuchtzaak. We hebben daarom een beter systeem om te beoordelen of iemand een geschikte volksvertegenwoordiger is: verkiezingen.

Wie niet wil dat er veroordeelden in de Kamer zitten, moet er niet op stemmen. Als u niet gediend bent van het gedrag van de heer Lucassen dan kunt u (de volgende keer) op een ander stemmen. Voorwaarde is wel dat partijen hun kandidaten goed screenen en actie ondernemen mocht er iets ongewensts verzwegen zijn. Zowel bij de screening als de actie achteraf lijkt de PVV vanuit dat perspectief tekort geschoten. Maar dat is aan Lucassen zelf, de PVV en de kiezers op die partij. Nu de partij er, naar het lijkt door de omstandigheden ingegeven, voor kiest om Lucassen in de fractie te gedogen, is het bij volgende verkiezingen aan de kiezer om hierover te oordelen.

Als de kiezer net als ik vindt dat het gedrag van de heer Lucassen hem ongeschikt maken als volksvertegenwoordiger, dan beslist hij bij de volgende stembusgang over zijn lot. Natuurlijk is dit systeem niet perfect, maar het is beter dan het alternatief, waarbij de rechter beslist over iemands geschiktheid of waarbij alle veroordeelden worden buitengesloten. 

donderdag 28 oktober 2010

Stemgedrag bij regeringsverklaring: kloof oppositie-coalitie

Het stemgedrag van partijen betreffende de moties die zijn ingediend bij het debat over de regeringverklaring laten een duidelijke kloof tussen oppositie en coalitie zien. Aan de kant van de oppositie staan SP, GroenLinks, D66, PvdA en (iets verder weg) de ChristenUnie. Het ‘regeringskamp’ wordt naast VVD en CDA bevolkt door PVV en SGP. Hoewel er enkele verschillen zijn tussen de regeringspartijen en hun gedoogpartner PVV stemmen zij toch in 74% van de niet-unanieme stemmingen gelijk. De overeenkomst tussen oud-coalitiegenoten CDA en PvdA is 47%.

Stemgedrag regeringsverklaring (1-dimensionaal)
(lijnen geven 95% credibility interval aan)
Op basis van het stemgedrag van partijen kun je een schatting maken van hun ‘ideaalposities’: de onderliggende verschillen van inzicht die ten grondslag liggen aan het stemgedrag. Het eendimensionale model hieronder afgebeeld is behoorlijk accuraat: met behulp van deze partijposities (en bijbehorende posities van elke motie) kun je 88,8% van de stemkeuzes correct voorspellen.
Aan de linkerkant van het spectrum staan achtereenvolgens PvdD, GroenLinks, PvdA, D66, SP en ChristenUnie. De laatste partij staat al iets verder naar het centrum. Aan de rechterzijde van het spectrum staan SGP, VVD, CDA en PVV. Dit stemgedrag lijkt sterk op dat in het vorige parlement, met een belangrijk verschil: PvdA en CDA staan nu duidelijk verder uit elkaar.
Het eendimensionale model is echter niet ‘perfect’. Zo is er een aantal stemmingen waarin PVV en SP (en andere linkse partijen) samen optrekken, bijvoorbeeld de PVV-motie over een ceremonieel Koningschap. Daarin wijkt het stemgedrag af van het dominante patroon. Om dit mee te kunnen nemen is ook een tweedimensionaal model gemaakt. Dit model voorspelt 92,9% van de stemkeuzes correct (de verbetering zit met name bij de PVV). Hierin is op de horizontale as hetzelfde beeld te zien als in het eendimensionale model, maar zien we op de verticale as binnen het rechtse blok een verschil tussen CDA, VVD en SGP aan de ene kant en de PVV aan de andere kant. Dit komt door een aantal stemmingen waarin PVV optrekt met één van de oppositiepartijen (met name SP en PvdD).
De bovenstaande modellen zijn gemaakt op basis van een zeer klein aantal stemmingen (22, waarvan 3 unaniem). Het geeft dus nog geen definitieve stempatronen. Maar als beeld indicatief zou zijn voor wat komen gaat, betekent dit dat er ondanks de bijzondere regeringsconstructie qua stemgedrag weinig nieuws onder de zon is.

dinsdag 26 oktober 2010

Woordkeus regeringsverklaring: Rutte-I versus Balkenende-IV

"Dit kabinet wil minder regels voor Nederlandse bedrijven." Deze zin is wellicht het meest typerend voor de regeringsverklaring die premier Rutte voorlas in de Tweede Kamer. Dit blijkt uit een vergelijking van het woordgebruik in deze regeringsverklaring met die van Balkenende-IV. In plaats van "een samenleving waarin wij samen moeten werken en samen moeten leven", besteedt Rutte-I in zijn verklaring aandacht aan "zorg, onderwijs, maar ook minder moeten gaan doen".

Onderstaande figuur bevat een analyse van het woordgebruik in beide regeringsverklaringen. Woorden die bovenaan de figuur staan, worden relatief vaak in de tekst van Rutte gebruikt, woorden onderaan juist door Balkenende (IV). Hoe hoger of lager de positie, hoe meer onderscheidend een woord is. Van woorden die in de grijze vlakken staan weten we met 90% zekerheid dat ze onderscheidend zijn voor het taalgebruik van de beide regeringen. Woorden die meer naar rechts staan, worden vaker gebruikt. Elke grijze stip staat voor één of meer woorden; de belangrijkste zijn gelabeled.



De woorden die door de beide premiers worden gebruikt reflecteren in het algemeen de politieke keuzes die worden gemaakt. Het motto van kabinet Balkenende-IV werd door de toenmalige premier vaak gebruik: "samen werken, samen leven". Rutte noemt zorg en onderwijs concreet, maar zegt ook vaak dat we het met "minder moeten gaan doen". Daarnaast besteedde Rutte relatief veel aandacht aan "regels voor bedrijven", de "crisis" en het "Nederlandse" karakter van een aantal zaken. Opvallende afwezige bij Rutte zijn woorden rondom immigratie en integratie. Hij noemt dit soort woorden wel, maar niet significant vaker dan Balkenende. Zijn echte aandacht gaat uit naar de economische thema's.

maandag 11 oktober 2010

Kies voor de liberale democratie

Dit artikel is geschreven samen met Simon Otjes. Het verscheen eerder in een licht bewerkte versie in De Helling

GroenLinks is voortgekomen uit de democratiseringsbewegingen van de jaren zestig en zeventig. De vier partijen die in 1989 GroenLinks vormden waren een direct product van deze bewegingen of waren hier sterk door gevormd. Dus toen de partij in 1991 haar doelstellingen formuleerde, was het niet opmerkelijk dat ze de eerste hiervan “een democratische rechtsstaat, waarin individuele vrijheden zijn gewaarborgd en alle ingezetenen gelijke politieke rechten hebben” was. Sindsdien heeft het denken binnen GroenLinks over democratisering echter vrijwel stilgestaan. Nog steeds echoot GroenLinks in haar nieuwe programma van uitgangspunten “het democratisch ideaal van gelijke zeggenschap voor iedereen” uit de jaren zeventig. De samenleving is in de laatste twintig jaar echter radicaal veranderd: een grote groep burgers wordt steeds cynischer over de politiek en maatschappelijke tegenstellingen worden steeds sterker. De praktische voorstellen van GroenLinks op het gebied van democratisering zijn wel veranderd, maar de visie op democratie bleef achter. Dit is de GroenLinkse democratieparadox: de kampioen van vrije meningsvorming en medezeggenschap houdt zelf welhaast dogmatisch vast aan mantra’s over participatie uit de jaren zestig.

In het veelzijdige debat over democratie kunnen sinds de 18e eeuw ruwweg twee tradities onderscheiden worden. In de republikeinse democratische traditie staat directe participatie centraal. Typische exponent van deze stroming zijn Rousseau en Spinoza, maar deze traditie heeft haar wortels in de Atheense democratie. Het centrale idee is dat mensen zelf invloed moeten uitoefenen op beslissingen die hen aan gaan. Volkssoevereiniteit is de enige legitieme basis voor besluitvorming. Het volk –in de praktijk de meerderheid van het volk– heeft het absoluut voor het zeggen. De macht van het volk wordt niet beperkt door grondwettelijke principes die individuele rechten zouden kunnen beschermen tegen de “tyrannie van de meerderheid”. Volkssoevereiniteit kan op twee manieren worden vormgegeven. Eén manier is om mensen zelf mee te laten beslissen over zaken die hen aangaan. Dat kan door referenda, burgerinitiatieven en inspraakrondes, maar ook door inspraak via ondernemingsraden of medezeggenschap op scholen. Besluitvorming moet zo dicht mogelijk plaats vinden bij de burgers. Zo kunnen burgers direct participeren in het politieke proces: participatiedemocratie. Een andere manier is om burgers directe invloed te geven over de verkiezing hun leiders. Dat kan door burgers te laten stemmen over de verkiezing van burgemeesters, rechters, het staatshoofd of de regeringsleider en door hen meer invloed te geven op de samenstelling van het parlement via voorkeursstemmen of districten. Hierbij staat de vraag centraal wie er moet regeren: personendemocratie. De laatste tien jaar zien we in toenemende mate een verschil tussen rechtse populisten die voorstander zijn van personendemocratie en linkse partijen die het ideaal van de participatiedemocratie voorstaan. Slechts één partij, D66, verenigt de ideeën van de participatiedemocratie en de personendemocratie.

De liberale democratische traditie verzet zich tegen het idee van de absolute volkssoevereiniteit. Liberale democraten als Madison en Popper menen dat de bescherming van individuele vrijheden centraal moet staan in een democratie. Deze traditie heeft haar wortels in de Verlichting. Dat betekent dat de macht van de overheid beperkt moet worden en dat binnen de overheid verschillende organen elkaar via checks and balances in toom moeten houden. Dit kan door een sterke scheiding der machten op het nationale niveau, waarbij het kabinet en het parlement een eigen rol hebben en onafhankelijke rechters wetgeving kunnen toetsten aan de grondwet. Ook een heldere verticale scheiding van bevoegdheden tussen gemeente, provincies en het Rijk kan hier aan bijdragen. De kern van democratie is volgens liberale democraten dat het volk wordt beschermd tegen verkeerde beslissingen of incompetente leiders, met name waar het hun burgerrechten betreft. Daarom moet de macht worden verdeeld: macht vraagt om tegenmacht.

In de praktijk vormt elke visie op democratie een mengeling van republikeinse en liberaleargumenten. Binnen een liberaal systeem is namelijk best ruimte voor participatie en de meeste voorstanders van de republikeinse traditie zijn ook voor grondwettelijke bescherming. De vraag is waar je het zwaartepunt legt: bij volkssoevereiniteit of bij checks and balances.



Beide tradities zijn terug te vinden in de verkiezingsprogramma’s van GroenLinks. Van alle verkiezingsprogramma’s van GroenLinks hebben we de concrete voorstellen en de argumentatie op het gebied van democratisering ingedeeld in vier categorieën (liberale democratie, participatiedemocratie, personendemocratie en overig, zoals decentralisatie en efficiëntie). Hier kijken we naar de verhouding tussen argumenten uit de eerste drie categorieën. Er is daarbij een opvallend verschil tussen de overwegingen en de concrete programmapunten (zie figuur 1).Van oudsher is de republikeinse traditie dominant in de programma’s en dan vrijwel uitsluitend in de smaak van de participatiedemocratie. Het aandeel van programmapunten die kunnen worden geschaard onder de noemer ‘participatiedemocratie’ neemt echter af. In 1998 was iets meer dan zeventig procent van de voorstellen gericht op het vergroten van de participatie, in 2010 was dit nog iets meer dan de helft. Als we kijken naar de overwegingen die in de programma’s worden genoemd is echter een ander patroon zichtbaar. Participatiedemocratische overwegingen waren dominant, behalve in de periode 2002-2003. In het manifest van 2003 werd een stevige liberaaldemocratische kritiek op de Fortuynrevolte werd geleverd. In de programma’s van 2006 en 2010 verdwenen deze overwegingen echter weer grotendeels. Ook in de programma’s van uitgangspunten van 1991 en 2009 wordt het ideaal van de participatiedemocratie gehuldigd. Het idee van een personendemocratie is bij GroenLinks vrijwel afwezig: alleen het voorstel om de voorkeursstem zwaarder te laten wegen kan hiertoe gerekend worden.

Er is in de laatste jaren een merkwaardige spagaat ontstaan: de overwegingen zijn gericht op participatiedemocratie, maar tussen de concrete programmapunten zitten nu meer liberaaldemocratische voorstellen dan voorheen. Voorstellen als het verkiezen van de burgemeester door de gemeenteraad of constitutionele toetsing vallen duidelijk binnen de liberaaldemocratische traditie, maar de bijbehorende argumenten spelen een marginale rol in de programma’s. Alleen in 2003 was het programma echt gefundeerd op een liberale democratieopvatting: GroenLinks wees aan de ene kant de achterkamertjespolitiek van Paars af, maar ook de anti-politieke retoriek van de LPF, en stelde voor politieke besluitvorming terug brengen in het parlement. In de periode daarvoor en daarna ligt de actief burgerschap: burgers moeten “meedoen, meepraten en meebeslissen” en moeten “meer directe invloed op de democratische besluitvorming” krijgen. De clichés over participatie en zeggenschap keren telkens terug bij gebrek aan beter, zo lijkt het.

Steeds meer wordt het programma wat betreft democratische vernieuwing een verzameling losse voorstellen zonder een duidelijke achterliggende visie. Het denken over democratie binnen GroenLinks ontwikkelt zich zichtbaar nauwelijks en sluit niet meer goed aan bij de concrete voorstellen. Deze ontwikkeling wordt ook door Pels geobserveerd. Resultaat is dat de partij niet meer zo goed weet waarom er dingen moeten veranderen. In het programma van 2010 is dit duidelijk zichtbaar: ongeveer de helft van de voorstellen die gaan over democratische vernieuwing zijn typisch liberaal-democratische voorstellen, maar dit zien we in de overwegingen nauwelijks terug.De hele democratieparagraaf lijkt visieloos. In een programma dat in veel opzichten innovatief en vernieuwend was, was 95% van de voorstellen over democratisering al eerder voorgekomen in een GroenLinks programma, duidelijk meer dan voorheen. Een ander symptoom van het gebrek aan eigen visie is dat het programma nu pleit voor een maatschappelijk debat over de democratie. En zelfs dat is niet nieuw: GroenLinks deed dat in 2002 en 2003.

Het gevolg van de stilstand in het GroenLinkse denken over democratie is dat de hervormingsagenda niet meer goed aansluit op recente maatschappelijke ontwikkelingen. Het alleen maar nastreven van een direct democratische participatiesamenleving biedt in onvoldoende mate oplossingen voor de problemen van vandaag. Participatie alleen leidt in de praktijk namelijk niet snel tot wederzijds begrip en betere besluitvorming, maar eerder tot polarisatie en soms zelfs tot een grotere kloof tussen burger en politiek. Denk aan de situatie in Californië waar burgers via referenda besloten tot belastingverlaging en verhoging van sociale uitgaven, maar vervolgens de gouverneur wegstuurden wegens hoge begrotingstekorten. Juist de liberaaldemocratische traditie biedt een progressief, hervormingsgezind en realistisch perspectief. Deze traditie sluit heel goed aan bij het gedachtegoed van GroenLinks: GroenLinks neemt het traditioneel op voor de burgerrechten, de rechten van minderheden en de belangen van groepen die geen stemrecht hebben, zoals vluchtelingen. En als ideeënpartij loopt zij voor op maatschappelijke ontwikkelingen en de publieke opinie. Daarom zou GroenLinks dus ook consequent bij deze liberaal-democratische stroming moeten scharen. We bieden hier een liberaal-democratisch perspectief op twee belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen.

Allereerst worden burgers cynischer over de politiek. De politiek zou haar beloften niet waar maken en meer gericht zijn op de macht dan op het vertegenwoordigen van de burger. De vraag of deze beweringen allemaal volledig waar zijn, doet niet ter zake. Er bestaat een duidelijke perceptie van een onoverbrugbare kloof, waaraan populistische partijen een deel van hun succes ontlenen. De sterke tegenstelling tussen de coalitiepartijen, die de regering ten koste van alles lijken te willen verdedigen, en oppositiepartijen, die vaak nauwelijks een goed woord over hebben voor het regeringsbeleid draagt hier aan bij. Door de compromissen van het kabinet over te nemen als hun eigen standpunten, lijken coalitiefracties afstand te nemen van hun eigen programma, en door het kabinet als een gesloten front te steunen doen zij af aan de noodzakelijke parlementaire controle. In een parlementair systeem bestaat per definitie een verwevenheid tussen regering en parlement, maar dat zou niet af moeten doen aan de controlerende taak van het parlement. In landen met een minderheidskabinet (Zweden, Denemarken) of een afspiegelingssysteem (Zwitserland) is de relatie tussen regering en parlement niet in beton gegoten. De regering moet immers steeds op zoek naar meerderheden. Dit zorgt ervoor dat partijen onafhankelijker staan van de regering, en dus duidelijker hun eigen standpunt kunnen verwoorden. Het geringe vertrouwen in regering en parlement bij een deel van de bevolking wordt niet weggenomen door die burgers simpelweg overal directe zeggenschap over te geven. De meeste burgers steunen namelijk het systeem van de vertegenwoordigende democratie. Ze willen niet overal over meepraten, maar invloed hebben op punten waar het echt om gaat. Democratisering moet gericht zijn op het versterken van de controle op degene die macht uitoefent. Daarbij past een instrument als het referendum heel goed, als noodrem: een uiterste vorm van controle op de regering en het parlement. Niet vanuit een participatief ideaal dat iedereen overal over mee moet kunnen praten en beslissen, maar vanuit het liberaal-democratische perspectief van macht en tegenmacht.

Ten tweede, is er een groeiende politieke tegenstelling over culturele vraagstukken, zoals de positie van de Islam in Nederland, immigratie en integratie, criminaliteit en terrorisme. Het debat over deze onderwerpen is sterk gepolariseerd en lijkt weinig ruimte te laten voor politieke compromissen. Een groeiende politieke stroming wil de klassieke burgerrechten van de moslims beperken, de juridische positie van vluchtelingen, migranten, allochtonen verslechteren en onze burgerrechten ingrijpend beperken vanwege de dreiging van terrorisme. Gevestigde partijen gaan hier deels in mee. Hier kan tegenwicht aan gegeven worden door de machtenscheiding te versterken. Naast de rol die de Raad van State en de Eerste Kamer hebben in de toetsing van de grondwettelijkheid, zouden (in navolging van het voorstel van Halsema) rechters het recht moeten krijgen wetten op hun grondwettelijkheid te toetsen. Ook binnen het parlement kunnen checks and balances versterkt worden: voorkomen moet worden dat een coalitie die een beperkte meerderheid heeft in de Tweede Kamer het alleenrecht krijgt om te regeren. Een versterking van de Eerste Kamer kan hieraan bijdragen. In de Eerste Kamer worden nu grotendeels de zetten van de Tweede Kamer herhaald, omdat de samenstelling nauwelijks verschilt. Als de Eerste Kamer meer gebruikt maakt van haar rechten en als hierin andere meerderheden gevormd kunnen worden (omdat zij door een ander kiesstelsel is verkozen), dan kan er serieus werk worden gemaakt van het tweekamerstelsel. Burgerrechten, de rechten van minderheden en de belangen van groepen die geen stemrecht hebben moeten beschermd worden, juist als dat niet populair is: dat is de kern van de liberale democratie.

GroenLinks zou consequent moeten kiezen voor de liberale democratie. Dit sluit goed aan bij de rest van het GroenLinks programma, dat in toenemende mate de nadruk legt op de rechten van burgers en minderheden. Het geeft ook een passend antwoord op politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Om het groeiende cynisme te keren en te voorkomen dat de polarisatie op culturele thema’s leidt tot een blijvende inbreuk op de rechten van minderheden is een liberale democratie noodzakelijk. Daarom moet GroenLinks politiek niet langer exclusief moet modeleren op een ideaal van volkssoevereiniteit, maar juist op het principe dat macht om tegenmacht vraagt.