Pages

woensdag 28 december 2011

Electorale winnaars en verliezers 2011

Het politieke landschap wordt vaak beschreven in termen van winnaars en verliezers. Peilingen spelen daarin een centrale rol: al hun problemen ten spijt, de onderzoeken van Maurice de Hond en Synovate geven een indicatie van de populariteit van politieke partijen. Deze trends spelen vervolgens een belangrijke rol in de perceptie van het succes van de partijen. De kritiek op Cohen zou waarschijnlijk wegebben als de peilingen voor de PvdA wél gunstig zouden zijn, terwijl Roemers positieve imago natuurlijk wordt geholpen door de goede score van de SP in de peilingen.

Wie waren nu eigenlijk de winnaars en verliezers in 2011? Een vergelijking van de peilingen van eind dit jaar met die van eind 2010.

dinsdag 27 december 2011

GroenLinks maakt geen ruk naar links

GroenLinks schuift onder Sap naar links volgens de Volkskrant. De partij zou sinds het aantreden van Jolande Sap veel meer op de lijn van de SP zitten dan in de periode-Halsema. De Volkskrant duidt dit als een beweging van de partij van progressief richting oud-links. Deze conclusie wordt getrokken op basis van cijfers over het stemgedrag van fracties in de Tweede Kamer. Dat lijken harde feiten, maar de cijfers kloppen niet. Als je de berekeningen correct maakt, schuift GroenLinks eerder richting D66 dan richting de SP.

SP-moties

De Volkskrant baseert haar conclusie op cijfers van het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer, die wij ook mochten inzien. In de onderstaande figuur kan je goed zien wat er mis is gegaan in de analyse van de Volkskrant. De SP diende tussen 1 januari 2006 en 31 december 2010 (de periode-Halsema) in totaal 2101 moties in. GroenLinks steunde 1527 van deze moties (in groen weergegeven). Dat is 72%, zoals de Volkskrant rapporteert. Dat cijfer verhult echter dat over 349 van de SP-moties überhaupt niet is gestemd omdat deze werden ingetrokken of gewijzigd (in grijs weergegeven) . Van de 1752 SP-moties die wél in stemming zijn gekomen (het rode en groene  deel), steunde GroenLinks er 1527 ofwel 87%.

Dit is een verschil van 15% dat de uitkomst van de analyse verandert. Als we de cijfers voor de periode-Sap (die de Volkskrant wel correct berekent) en de periode-Halsema met elkaar vergelijken dan zien we het volgende: GroenLinks steunde tussen 2006 en 2010 87% van de SP-moties. Tussen 1 januari 2011 en 30 november 2011 was dat 84%. Dat is een kleine daling in plaats van een grote stijging. Waar de Volkskrant-journalisten een stijging zagen omdat ze een rekenfout hadden gemaakt, blijkt uit hun eigen cijfers dat GroenLinks onder Sap iets minder vaak SP-moties steunt dan onder Halsema.

We kunnen de analyse ook omdraaien: hoe vaak stemde de SP met moties van GroenLinks mee? Volgens de Volkskrant vallen de GroenLinks-moties die ingediend zijn sinds Sap partijleider is, beter in de smaak bij Roemer en de zijnen. De socialisten steunden in het afgelopen jaar 87,5% van de GroenLinks-moties. Tussen 2006 en 2010 was dat, als je de berekening op de juiste manier maakt, 87,7%. Geen grote stijging in steun van de SP dus, maar een uitermate minieme daling. Als we kijken naar het daadwerkelijke stemgedrag van GroenLinks en SP, dan zien we dus geen schokkende toenadering van de GroenLinks richting SP maar eerder een heel kleine verwijdering.

GroenLinks en D66
De Volkskrant trekt op basis van haar gemankeerde analyse niet alleen conclusies over de relatie tussen GroenLinks en de SP, maar ook over D66. Er wordt gesteld dat GroenLinks zich onder Femke Halsema profileerde als links-liberaal en nauw contact met D66 zocht. Dit zou onder Jolande Sap zijn gestopt. Hier levert het artikel geen cijfers bij, maar die heeft de Tweede Kamer wel aangeleverd. Uit deze cijfers blijkt dat GroenLinks in 2011 96% van de moties van D66 steunde, tegenover 91% in de periode 2006-2010. GroenLinks steunt D66-moties dus vaker dan dat ze SP-moties steunt. De mate waarin GroenLinks D66-moties steunt is bovendien toegenomen. GroenLinks steunt onder Sap bijna alle D66-moties. Als we uit deze cijfers al een verschuiving van GroenLinks kunnen destilleren is het dat GroenLinks onder Sap richting D66 opgeschoven is.

Voorzichtige conclusies
De Volkskrant trekt op basis van een rekenfout verregaande conclusies: GroenLinks zou een ruk naar links maken, omdat GroenLinks vaker met de SP mee zou stemmen. Als we hun eigen cijfers narekenen dan zien we een heel andere beweging. Wij zien een kleine verwijdering tussen GroenLinks en de SP, en tegelijkertijd een kleine toenadering tussen D66 en GroenLinks. Wij zouden hieruit niet concluderen dat Sap een koerswijziging heeft ingezet. Sap zet de sociaalliberale koers van Halsema eerder voort. Dit is ook niet raar: Sap heeft voor en achter de schermen een grote invloed gehad op de koers van GroenLinks voor zij partijleider werd.

Uit eerder onderzoek (pdf) blijkt dat het stemgedrag van fracties in de Tweede Kamer een zeer grote mate van stabiliteit vertoont. Plotselinge veranderingen komen bijna altijd door wijzigingen in de regeringssamenstelling. Nu er een rechtse regering is, vinden GroenLinks en D66 elkaar nog vaker dan in de vorige kabinetsperiode. Ook de politieke context is veranderd: GroenLinks en D66 vinden elkaar in pro-Europese oplossingen van de Europese schuldencrisis. Het is problematisch om deze wijzigingen in stemgedrag één op één te vertalen naar een inhoudelijke koerswijziging. Nog problematischer is het om dit allemaal op te hangen aan een leiderschapswisseling waaraan geen enkel inhoudelijk motief ten grondslag lag. Hoewel het te prijzen is als journalisten zich op cijfers baseren, moeten ze wel uiterst voorzichtig zijn met de interpretatie daarvan, vooropgesteld dat de cijfers kloppen.

Dit stuk, van de hand van collega Simon Otjes en mijzelf, verscheen eerder in licht bewerkte vorm in De Volkskrant van 24 december. 

maandag 12 december 2011

Is fact free politics een probleem?

Recentelijk betoogde Dick Pels dat ‘links’ maar eens moest ophouden ‘rechts’ ervan te betichten fact free politics te bedrijven. Dit verwijt wordt het huidige kabinet, en vooral gedoogpartner PVV, maar al te vaak gemaakt. Een recent voorbeeld betreft de maximumsnelheid. Zelfs al wijzen alle onderzoeken uit dat 130 op de snelweg slecht is voor milieu, verkeersgebruikers en omwonenden, dan nog zullen boliderijdende VVD’ers er alles aan doen om lekker 10 kilometer harder te mogen rijden. Het genot van het autorijden neemt waarschijnlijk, net als de luchtweerstand, exponentieel toe met de snelheid.

Pels licht zijn bezwaren tegen het verwijt dat ‘rechts’ aan fact free politics zou doen toe aan de hand van drie stellingen. De eerste twee zijn eenvoudig samen te vatten: links doet het ook, en ook rechts gebruikt feiten (al dan niet gemanipuleerd, net als bij links overigens). Dat eerste is zo klaar als een klontje: als het gaat om 130 op de snelweg legt ‘links’ heel rationeel uit dat het nauwelijks tijdwinst oplevert, maar wel meer doden, maar als een asielzoeker het land uitgezet moet worden, moet het hart het ineens winnen van het hoofd.

Pels’ tweede bezwaar is ook zichtbaar. Alle partijen houden ervan om ‘feiten’ te presenteren – vooral als betreffende feiten hen goed uitkomen. Terecht wordt gesteld dat er in sommige dossiers eerder te veel dan te weinig feiten op tafel liggen. Herinnert u zich nog de enorme stapel rapporten waarmee Alexander Pechtold op de proppen kwam toen kabinet Balkenende-IV twintig ambtelijke commissies wilde instellen om bezuinigingen in kaart te brengen? Gelukkig spelen feiten een belangrijke rol bij de vorming van beleid.

Door feiten voor te doen als ‘dingen’, zo is Pels’ derde bezwaar, misleiden de fact-free-politics claimanten ons. Feiten zijn helemaal niet objectief. Feiten worden gefabriceerd, zo stelt de filosoof Latour. Het claimen van objectieve waarheid is fundamentalistisch en maakt vrijzinnige, zelfkritische politiek onmogelijk. Het is bovendien contraproductief om zelfingenomen populistische politici slechts ‘objectieve feiten’ voor te houden; zij zijn immers net als gelovigen die zich door niets van hun stuk laten brengen. “Links moet juist leren”, zegt Pels, “om de feiten te laten dansen op de maat van de eigen muziek: om de feiten te manipuleren, zonder ze te presenteren als onwrikbare dingen”.

Hiermee lijkt Pels zich, doch niet helemaal, een behoorlijk sociaal constructivistisch standpunt aan te meten. Het is duidelijk dat in de politiek, en in de sociale werkelijkheid in bredere zin, veel feiten inderdaad ‘sociale feiten’ zijn. Ze zijn sociaal geconstrueerd, zoals John Searle laat zien: geld, huwelijk en de regering, geen van allen bestaat zonder dat we daar gezamenlijk een betekenis aan toekennen. Maar dat betekent niet dat er in het geheel geen objectieve feiten zijn. De Mount Everest, bijvoorbeeld, zou er ook zijn als de mensheid niet was geëvolueerd. Los van het feit of we dat ding nu een ‘berg’ noemen: hij zou er staan.

Sociale feiten, zoals geld, zijn niet gemakkelijk te reduceren tot een objectieve waarheid. Maar dat wil niet zeggen dat je je in het publieke debat zomaar alles kunt permitteren met dergelijke feiten. Als u bij de bakker een brood wilt meenemen, zult u nog een lastige ochtend beleven als u hem probeert uit te leggen dat die muntjes en briefjes die hij van u verlangt geen waarde hebben. En hoewel er ontzettend veel debat is over de precieze betekenis van de termen ‘links’ en ‘rechts’ in de politiek, gebruikt Pels ze ruimschoots – en wij begrijpen hem.

Meer hoopgevend is Pels’ stelling dat we op zoek moeten naar een “een vrijzinnige politiek die twijfel toelaat en bereid is het eigen perspectief op de proef te stellen.” Juist een dergelijke kritische houding is hetgeen ten grondslag ligt aan goed wetenschappelijk onderzoek. Open staan voor het eigen ongelijk is de kern van het wetenschappelijke bedrijf. Als we alles al weten kunnen we de tent wel sluiten. Daarin speelt, zoals Pels terecht stelt, de rede een belangrijke rol. Het luisteren en serieus in overweging nemen van argumenten van anderen. Maar ook feiten, empirische waarnemingen, zijn daarbij belangrijk. Want zij bieden ons een uitzicht op de (sociale) werkelijkheid.

Elk overtuigend politiek verhaal berust op ideeën. En die ideeën kleuren ons perspectief op de werkelijkheid. Maar het is een vergissing om feiten dientengevolge slechts te beschouwen als framing. Als je serieus het politiek debat aan wilt gaan, moet je ook bereid zijn om uit je eigen frame te stappen. Je kunt sociale feiten nooit helemaal los zien van je standpunt, maar dat betekent niet dat het niet de moeite waard is om te pogen een onderscheid te maken tussen feiten en meningen. Juist omdat argumenten sterker staan als ze verbonden zijn met feiten. Ook dat draagt namelijk bij aan het voeren van een kritisch en vrijzinnig politiek debat.

donderdag 1 december 2011

Pooling the Polls: Coalitie op 70 zetels

De doorrekening van de meest recente peilingen inclusief de Politieke Barometer van vandaag geeft aan dat de laatste maand qua netto verschuivingen relatief rustig is geweest. Geen enkele verschuiving in de periode 1 november tot 1 december was statistisch significant. De VVD staat sinds de verkiezingen op lichte winst, hoewel deze winst net binnen de foutmarge valt voor de meest recente schatting. Hetzelfde geldt voor gedoogpartner PVV - er is dus geen sprake van een enorme stijging van de partij van Wilders, zoals soms wel lijkt te worden verondersteld. Grote winnaars ten opzichte van de verkiezingen zijn SP en D66 die waarschijnlijk elk zo'n 7 à 8 zetels zouden winnen. Opvallend is wel dat Peil.nl van Maurice de Hond de winst van beide partijen (veel) hoger inschat dan de Politieke Barometer: bij De Hond staat de SP bijvoorbeeld maar liefst 9 zetels hoger.


Verliezen worden geleden bij de PvdA en het CDA. Bij de PvdA lijkt een licht herstel op te treden, maar dit valt nog binnen de foutmarge. De scherpe val van het CDA in de afgelopen maanden lijkt voorlopig even gestopt. GroenLinks staat ook nog steeds op verlies ten opzichte van juni 2010, maar ook bij die partij lijkt een licht herstel op te treden. De overige partijen zijn redelijk stabiel. De Partij voor de Dieren lijkt kans te maken op een derde zetel en ook 50PLUS zou een zetel winnen en daarmee voor het eerst in de Tweede Kamer komen.


Lees en bekijk meer op peiling.tomlouwerse.nl >>

zondag 6 november 2011

Peiling der peilingen: CDA zakt weg

Of u het nu leuk vindt of niet: peilingen spelen een belangrijke rol in het politieke debat. De benarde positie waarin het CDA verkeert wordt versterkt doordat peilingen inzicht geven in de steun voor die partij als er vandaag verkiezingen zouden zijn. Het was dan ook groot nieuws toen Maurice de Hond van Peil.nl deze partij nog maar elf zetels toedichtte. Niet echt leuk voor de christendemocraten, maar misschien ook iets om rekening mee te houden. Meer problematisch is het als verschuivingen van één of twee zetels worden ‘verklaard’ aan de hand van allerlei factoren, terwijl deze net zo goed het gevolg kunnen zijn van onzekerheden in de peiling. In de meest recente peilingen vallen vooral de verschillen tussen de twee grote peilingbureaus Synovate en Peil op.

Onderstaande tabel toont de meest recente peilingen van Synovate (Politieke Barometer) en Peil (Maurice de Hond). Verschillen in het blauw geven aan dat Synovate deze partij meer zetels toedicht, bij verschillen in het rood geeft Maurice de Hond een partij meer zetels. De ‘grote drie’ doen het duidelijk beter bij Synovate: 7 meer voor de PvdA, 3 meer voor CDA en VVD. Bij Peil doen de partijen aan de extremen van het spectrum het beter: SP krijgt van De Hond 6 zetels meer dan bij Synovate, D66 5, en de PVV 2 (dat laatste zou nog net binnen de foutmarge vallen). Dit verschil kan wellicht worden verklaard door de onderzoeksmethode: Peil.nl maakt gebruikt van een panel waarvoor je jezelf kunt aanmelden – dit trekt eerder mensen aan die politiek betrokken en ontevreden zijn.


Figuur 1: Overzicht verschillen laatste peilingen Synovate en Peil

Als we de informatie van de twee peilingbureaus samen nemen, komen we waarschijnlijk tot een meer genuanceerd beeld van de kansen van de partijen. Dit doe ik met behulp van een ‘Pooling the polls’ model van Simon Jackman dat ik eerder ook heb gebruikt bij de voorspelling van de uitslag van de Eerste Kamerverkiezingen. In de gebruikte versie gaat het model er vanuit dat gemiddeld genomen de metingen van de peilingbureaus kloppen. Hoewel deze aanname problematisch is (de steun voor de PVV werd bij de laatste verkiezing onderschat), kunnen we moeilijk anders, omdat we niet weten wat de ‘echte’ uitslag zou zijn. Het is lastig om de precieze uitwerking van het model kort toe te lichten, maar kortweg geeft het model een soort gewogen gemiddelde van de beschikbare peilingen (waarbij oudere peilingen steeds minder zwaar wegen). 

Figuur 2: Peiling der peilingen 4 november 2011 (grote partijen). In de grafiek staan percentages (met foutmarges), de getallen eronder geven de vertaling in zetels (de grijze getallen geven de minimum en maximumverwachting aan met 95% vertrouwen). De sterretjes in de balken geven aan dat er een statistisch significant verschil is tussen de betreffende balk en de meest recente peiling.


De VVD zou het volgens deze ‘Peiling der peilingen’ nu waarschijnlijk iets beter doen dan bij de verkiezingen vorig jaar, maar dit verschil is (net) niet statistisch significant. In de grafiek staan de percentages met de foutenbalk aangegeven; onderaan staan de bijbehorende zetelaantallen. Het model verwacht voor de VVD tussen de 32 en 35 zetels, waarschijnlijk 34. De middelste balk geeft de verwachting aan voor 30 dagen geleden. De electorale positie van de VVD is nauwelijks gewijzigd, want de balken voor deze en vorige maand zijn vrijwel precies even lang. De PvdA staat duidelijk op verlies, van 30 naar 18. Ten opzichte van vorige maand zijn de kansen van de partij ongewijzigd. De PVV staat op winst van 24 naar 27 zetels. Het CDA beleeft een sterke teruggang. In de Kamer heeft ze nu 21 zetels, vorige maand waren dat er volgens de Peiling der peilingen 15 en nu nog 12. Zowel het verschil met de Tweede Kamer als het verschil met vorige maand is significant, zoals de sterretjes in de balken aangeven. De SP staat op winst van 15 zetels nu in de Kamer naar een voorspelde 25. 

Figuur 3: Peiling der peilingen 4 november 2011 (kleine partijen). In de grafiek staan percentages (met foutmarges), de getallen eronder geven de vertaling in zetels (de grijze getallen geven de minimum en maximumverwachting aan met 95% vertrouwen). De sterretjes in de balken geven aan dat er een statistisch significant verschil is tussen de betreffende balk en de meest recente peiling.

Bij de kleinere partijen doet vooral D66 het goed. De partij stijgt van 10 naar ongeveer 17 zetels; stabiel ten opzichte van vorige maand. GroenLinks heeft duidelijk te lijden onder de verschillende kwesties in de partij (Kunduz, Peters) en daalt van 10 naar ongeveer 7 zetels. De ChristenUnie doet het wel iets beter dan in 2010, maar dat vertaalt zich waarschijnlijk nog net niet in zetelwinst. Ook bij de SGP (in percentage iets slechter) en de PvdD (in percentage iets beter) zien we geen wijziging in het aantal verwachte zetels.

Wat opvalt is dat de verschillen ten opzichte van de peiling van vorige maand vaak beperkt en meestal niet statistisch significant zijn. Het gaat immers in beide gevallen om een peiling met onzekerheidsmarges. Zelfs als we alle beschikbare informatie van de twee peilingbureaus combineren moeten we rekening houden met een foutmarge van ongeveer twee zetels voor grote partijen. Deze kleine verschuivingen kunnen net zo goed toevallig zijn als een echte verschuiving in de kiezersvoorkeur. Het is dus beter om naar de effecten op de langere termijn te kijken, want die zijn vaak wel statistisch significant. Dan zien we dat PvdA, CDA en GroenLinks verliezen en dat de PVV, SP en D66 duidelijk winnen. Dat is een veel belangrijker en relevanter gegeven dan de wekelijkse zetelpingpong waar nu vaak naar wordt gekeken.

zaterdag 15 oktober 2011

Stemgedrag PVV: Loyaal met een scherpe rand


In oktober 2010 kondigden VVD, PVV en CDA aan een bijzonder meerderheidskabinet te vormen. VVD en CDA onderschreven een coalitieakkoord. Daarnaast werd een gedoogakkoord gesloten met de PVV – deze partij steunt het kabinetsbeleid op een (groot) aantal terreinen en belooft het niet te laten vallen over maatregelen die in het coalitieakkoord staan omschreven. Dit betekende dat de PVV een nieuwe positie innam in het politieke landschap. Tot de verkiezingen van 2010 had de PVV bewust gekozen voor confrontatie met de gevestigde partijen in haar parlementair gedrag. Ze stelde zich op als een rechtse oppositiepartij, de "rechts buiten" van de Tweede Kamer. Is het gedrag van de PVV veranderd nu de partij gedoogpartner is van een coalitie van CDA en VVD?

De kern van onze uitkomsten is dat de PVV als gedoogpartner twee houdingen combineert: een constructieve houding op onderwerpen die in het gedoogakkoord staan en een kritische, confronterende houding op andere terreinen. Op onderwerpen uit het gedoogakkoord is zij minder actief en stemt zij vaak hetzelfde als CDA en VVD. Dit betreft zowel de sociaaleconomische agenda van het kabinet (volksgezondheid, sociale zaken en financiën) als de agenda van het kabinet wat betreft veiligheid, integratie en immigratie. Echter op die onderwerpen waar de PVV heeft aangeven het niet eens te zijn met het kabinet is de partij actiever en uitgesprokener geworden. De partij stemt dan anders als CDA en VVD, en nog steeds relatief vaak alleen. Ook dient zij op deze onderwerpen meer moties en amendementen in. We beschrijven deze manier van opereren als loyaal (op die onderwerpen die in het gedoogakkoord staan) maar met een scherpe rand (op die onderwerpen die daarbuiten vallen). Deze stijl van opereren waarbij de partij met een been in het regeringsvak staat en met het andere been aan de kant van de anti-establishment oppositie is in andere landen succesvol toegepast door rechts-populistische partijen zoals de Italiaanse Lega Nord en de Deense Volkspartij.



Het onderzoek kijkt naar zes vragen: ten eerste, hoe actief zijn PVV-Kamerleden? De PVV dient in totaal minder voorstellen in. Dit past bij het beeld van een partij die deelneemt aan de regeringsmacht. Deze fracties dienen doorgaans minder voorstellen in. Wel is het zo dat de partij relatief meer (arbeidsintensieve) amendementen indient dan voorheen, wat blijk geeft van een verdere professionalisering van de fractie.

De tweede vraag is op welke onderwerpen PVV-Kamerleden actief zijn. We hebben gekeken naar moties die zijn ingediend in het kader van de begrotingsbehandelingen, welke eenvoudig te classificeren zijn. Van deze moties is het onderwerp buitenlandse zaken het meest populair bij de PVV. Dit is een grote verschuiving ten opzichte van de periode 2006-2010 toen de fractie vooral moties en amendementen indiende over justitie en binnenlandse zaken. Dit is te verklaren vanuit het feit dat de PVV in het gedoogakoord afspraken heeft gemaakt over veiligheid, immigratie en integratie, maar niet over buitenlands beleid Europa.



De derde vraag betreft de samenwerking met de PVV: hoe vaak dient de PVV voorstellen in samen met andere partijen? De PVV dient vooral moties in met coalitiepartners CDA en VVD, en met de SP. De opvallende verschuiving hierbij is dat het CDA en de PVV nauwelijks samen moties indienden vóór 2010.

De vierde vraag gaat over de isolatie van de PVV: hoe vaak stemt de PVV alleen? De PVV stemt nu minder vaak alleen dan in de periode 2006-2010, maar de mate waarin de PVV alleen staat blijft in historisch-vergelijkend perspectief hoog. De PVV staat vooral alleen in stemmingen over buitenlandse zaken (geen onderdeel van het gedoogakkoord), terwijl dit eerder binnenlandse zaken was (wel grotendeels onderdeel van het gedoogakkoord).



In verreweg de meeste stemmingen staat de PVV echter niet alleen. Onze vijfde onderzoeksvraag is hoe vaak andere partijen hetzelfde stemmen als de PVV. De VVD stemt het vaakst hetzelfde als PVV (77%) en doet dit ook vaker dan in de periode 2006-2010 (65%). Het CDA stemt nu in 75% van de gevallen mee met de PVV, aanzienlijk vaker dan voorheen (53%). De mate waarin de PVV hetzelfde stemt als de linkse oppositiepartijen is afgenomen. Opvallend hierbij is dat zeker op de sociaaleconomische onderwerpen, zoals sociale zaken en volksgezondheid, waarop er eerder sprake was van een zekere verwantschap tussen linkse partijen als SP en de PVV, in deze periode minder samen wordt gestemd. Omdat voorstellen op deze punten financiële consequenties hebben, kan de PVV niet hetzelfde stemmen als de SP zonder het gedoogakkoord te breken.

De zesde vraag betreft het succes van de PVV: hoeveel moties en amendementen worden aangenomen? De mate waarin de PVV voorstellen krijgt aangenomen is aanzienlijk toegenomen over tijd. Dit heeft echter nog steeds niet het niveau dat normale coalitiepartijen bereiken. In termen van het totaal aantal aangenomen moties blijft de PVV achter bij andere partijen. Dit is mede te verklaren vanuit het meer extreme gedachtegoed van de partij: ook andere radicale oppositiepartijen zoals de Partij voor de Dieren en GroenLinks weten een beperkt aantal moties aangenomen te krijgen.

Dit is de samenvatting van de rapportage Loyaal met een scherpe rand, die ik samen met Simon Otjes heb geschreven voor Argos, een programma van VPRO radio. De vragen zijn samen met Argos vastgesteld. Het onderzoek is een vervolg op de rapportage "Kiezen voor Confrontatie" die de auteurs in mei 2010 voor Argos schreven.

donderdag 22 september 2011

Stemgedrag Algemene Beschouwingen: Wilders blaft hard, maar bijt niet

De Algemene Beschouwingen 2011 lieten een nogal wisselend beeld van de politiek zien. Het grootste deel van de tweede dag werd er inhoudelijk gedebatteerd, maar Wilders wist weer het beeld te bepalen met zijn compromisloze en op de persoon gerichte taal. Het debat eindigde met de stemming over 21 ingediende moties. Hier kwam de echte Hollandse aap uit de mouw: Wilders blaft wel, maar bijt niet.

De PVV stemde in 19 van de 21 gevallen gewoon mee met de VVD en in 17 van de 21 gevallen met het CDA. Ter vergelijking: de PvdA van 'grote gedoger' Job Cohen stemde slechts tweemaal hetzelfde als de VVD en vier maal als het CDA. Wilders steunde daarbij geen enkel voorstel van de oppositie - zijn fractie stemde alleen voor zijn eigen voorstel over een referendum over de EU-steun aan Griekenland.

Als we het stemgedrag over deze 21 moties in kaart brengen en daar de patronen uit destilleren, zien we een duidelijk links-rechts beeld (dat natuurlijk overeenkomt met de tegenstelling tussen regering en oppositie, aangezien de drie regeringspartijen ter rechterzijde zitten). Meest links staan SP, PvdD, GroenLinks en PvdA. D66 staat net iets ter rechterzijde daarvan, gevolgd door ChristenUnie en SGP. Dan volgen de regeringspartij CDA, gedoogpartner PVV en de regeringsfractie van de VVD. Merk wel op dat de schattingen van deze 'ideaalposities' van partijen behoorlijk onzeker zijn: het gaat hier maar om 21 stemmingen. Desalniettemin komt het beeld overeen met het stemgedrag in het afgelopen parlementaire jaar.

Schattingen stemgedrag met behulp van IDEAL van Simon Jackman.




Het eendimensionale plaatje geeft al een zeer goede voorspelling van het stemgedrag van de partijen, maar er zijn een paar stemmingen die niet in dit beeld passen. Neem bijvoorbeeld het referendum over Griekenland, waar PVV en PvdD samen voor stemden. Als we deze patronen ook in kaart willen brengen is een twee-dimensionaal figuur nodig. Hierin is te zien dat op een klein aantal moties is samengewerkt door PVV, PvdD en SP (zij staan op Dimensie 2 aan dezelfde kant van het spectrum). In dat laatste geval ging het vooral om moties die door de middenpartijen werden gesteund, maar door PVV, VVD, SP en PvdD werden verworpen. 

Het tweedimensionale beeld is in feite hetzelfde als het eendimensionale plaatje: het stemgedrag wordt gedomineerd door links versus rechts, oppositie versus regering (inclusief de gedoogpartner). Het laat zien dat Wilders wel veel stampij maakt in de Kamer, zowel inhoudelijk over een aantal onderwerpen als door zijn woordkeus, maar als puntje bij paaltje komt het kabinetsbeleid gewoon steunt.
Schattingen stemgedrag met behulp van IDEAL van Simon Jackman.
Voor de statistici: Het model is geïdentificeerd door de posities van SP, PVV en CU vast te stellen op basis van hun positie in een klassieke multidimensional scaling op de afstandsmatrix tussen partijen.