Nut en noodzaak van kernenergie staan net als 25 jaar weer stevig ter discussie na een ernstig ongeluk in een kerncentrale. Net als in het midden van de jaren '80 raakte kernenergie de afgelopen jaren steeds meer geaccepteerd, maar de gebeurtissen in Japan lijken dat hernieuwde vertrouwen weer een stevige dreun te hebben gegeven. Of u dat nu onkies vindt of niet, het debat over de wenselijkheid van atoomstroom staat weer op de agenda.
Los van de vraag naar mijn persoonlijke voorkeur lijken er twee houdbare posities in dit debat te zijn. Aan de ene kant staan tegenstanders die kernenergie afwijzen vanwege veiligheids- en afvalproblemen en omdat het een transitie naar echt duurzame energieopwekking alleen maar tegen zou houden. Aan de andere kant staan voorstanders die wijzen op de relatief geringe CO2-uitstoot van kernenergie, olie-afhankelijkheid en beargumenteren dat de risico's van kernenergieproductie en opslag van radioactieve materialen goed hanteerbaar zouden zijn. Tegenstanders willen zo snel mogelijk af van kerncentrales, voorstanders willen graag nieuwe centrales bouwen, waarbij zij er (terecht) op wijzen dat deze veiliger zijn dan oude centrales. Diezelfde voorstanders zouden dan overigens ook moeten beargumenteren dat oude centrales moeten worden vervangen, in plaats van steeds langer opengehouden.
De slinger van de publieke opinie zorgt er echter voor dat geen van beide keuzes echt wordt gemaakt. De kerncentrale in Borselle zou in 2004 gesloten worden, maar een volgend rechts kabinet draaide dit besluit terug. In Duitsland tot voor kort precies hetzelfde verhaal. Aan de andere kant maken ernstige incidenten als dat in Japan het ook zeer lastig om de handen op elkaar te krijgen voor nieuwe centrales. Het resultaat is dat de status quo regeert: we zitten opgescheept met een draak van een compromis. Relatief veel oude centrales die steeds maar niet gesloten kunnen worden en dus steeds maar weer worden opgelapt.
Er is behoefte aan een lange-termijnvisie die over een langere periode consequent wordt uitgewerkt. Die visie moet op lange termijn uitmonden in een volledig duurzame energievoorziening. Als kernenergie daar (in de transitieperiode) deel van zou uitmaken - liever niet - dan wel op een moderne manier. Als we onszelf veroordelen tot de status quo, bewijzen we onszelf en de toekomstige generaties allerminst een dienst.
vrijdag 18 maart 2011
zondag 13 maart 2011
Analyse verkiezingsuitslag in Leiden: coalitie verliest licht
De uitslag van de Provinciale Statenverkiezingen in Leiden is geen nieuws meer. D66 werd net aan de grootste partij in de sleutelstad, twee stemmen voor de PvdA. Dankzij een dataset met een uitslag uitgesplitst per stembureau en kandidaat, die de gemeente Leiden mij ter beschikking stelde, kunnen we nu echter ook wat meer zeggen over de spreiding over de verschillende wijken en de Leidse voorkeursstemmen.
Het algemene beeld in de laatste zes verkiezingen in Leiden is duidelijk: D66 wint, de PVV heeft voet aan de grond gekregen en het CDA verliest dramatisch. De christen-democraten verloren sinds de Tweede Kamerverkiezingen in 2006 steeds terrein, tot een dieptepunt van 5,9% van de Leidse stemmen bij de Provinciale Statenverkiezingen. Het CDA doet het in Leiden dus nog zelfs iets slechter dan bij de Tweede Kamerverkiezingen in juni, terwijl de opkomstbereidheid van de christendemocratische kiezer doorgaangs hoger is. De ChristenUnie deed het ook niet erg goed, maar won wel licht ten opzichte van juni 2010. De grote winnaars, D66, wisten weer een sterke uitslag te realiseren in Leiden, duidelijk hoger dan in juni bij de Tweede Kamer, maar tevens duidelijk lager dan bij de Europese Verkiezingen (2009) en de laatste Gemeenteraadsverkiezingen. De PvdA deed het bij die laatste twee verkiezingen juist relatief slecht in Leiden, maar is nu in Leiden weer ongeveer op het niveau van de provincieverkiezingen van 2007. GroenLinks evenaart de uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen in juni, maar weet de goede uitslag van de Europese verkiezingen niet te evenaren. De SP lijkt weer uit een dal te klimmen en boekt de beste uitslag van de laatste vier verkiezingen, hoewel onder de topscore uit 2007.
De PVV wist in Leiden, net als in de rest van het land, haar topscore van juni niet te evenaren en viel terug tot onder de 10%. Dat lijkt ook in Leiden met de opkomst samen te hangen: in stembureaus waar meer kiezers kwamen opdagen, stemden significant minder mensen op de PVV (correlatie -0.57). De PVV verloor ten opzichte van juni vooral in de wijken waar ze het eerst goed deed: Leiden Noord en de Stevenshof (in beide wijken van ongeveer 25% naar ongeveer 15). Bij de VVD is een soortgelijke terugval ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezingen te zien, zij het minder sterk. Al met al kregen de landelijke coalitiepartijen in de sleutelstad dus minder stemmen dan bij de Tweede Kamerverkiezingen in juni. Of dat nu komt doordat mensen van mening zijn veranderd of omdat de opkomst onder VVD-, CDA- en PVV-kiezers lager is, kunnen we op basis van deze cijfers moeilijk zeggen, maar blijkbaar is het enthousiasme onder deze kiezers in ieder geval beperkt.
Stemgedrag per wijk
Net als in eerdere verkiezingen waren de kiezers voor de verschillende partijen niet gelijk over de stad verdeeld. In de onderstaande tabel staan de percentages voor elke partij in de negen kiesdistricten van Leiden (en stembureau Leiden Centraal). De gekleurde balkjes geven aan waar partijen het relatief goed deden. Zo scoorde D66 in alle wijken boven de 10 procent, maar wist ze vooral in de Binnenstad en het Boerhaavedistrict goed te scoren. Hetzelfde patroon zien we bij GroenLinks, terwijl PVV en SP juist in deze wijken zwak scoren: zij doen het goed in Noord en de Stevenshof. De PvdA houdt een beetje in het midden: goede scores in Noord/Stevenshof, maar ook in de wijken in het Zuiden en Zuid-Oosten van de stad. Nieuwkomer 50PLUS doet het net als CDA en VVD goed in de wijken buiten het centrum.
Voorkeursstemmen
Van de ruim 54.000 stemmen in Leiden werden er uim 25.500 niet op de lijsttrekker uitgebracht. In de top-10 van voorkeursstemmen zien we daarom ook een aantal runners-up terug. Bij de nummers twee van PvdA en VVD zal hun Leidse achtergrond daarbij vast een rol hebben gespeeld. De nummer twee van GroenLinks, afkomstig uit Voorschoten, wist in Leiden zelfs meer stemmen te halen dan haar lijsttrekker. GroenLinkers zijn dan ook notoire hoogste-vrouw stemmers.
Het algemene beeld in de laatste zes verkiezingen in Leiden is duidelijk: D66 wint, de PVV heeft voet aan de grond gekregen en het CDA verliest dramatisch. De christen-democraten verloren sinds de Tweede Kamerverkiezingen in 2006 steeds terrein, tot een dieptepunt van 5,9% van de Leidse stemmen bij de Provinciale Statenverkiezingen. Het CDA doet het in Leiden dus nog zelfs iets slechter dan bij de Tweede Kamerverkiezingen in juni, terwijl de opkomstbereidheid van de christendemocratische kiezer doorgaangs hoger is. De ChristenUnie deed het ook niet erg goed, maar won wel licht ten opzichte van juni 2010. De grote winnaars, D66, wisten weer een sterke uitslag te realiseren in Leiden, duidelijk hoger dan in juni bij de Tweede Kamer, maar tevens duidelijk lager dan bij de Europese Verkiezingen (2009) en de laatste Gemeenteraadsverkiezingen. De PvdA deed het bij die laatste twee verkiezingen juist relatief slecht in Leiden, maar is nu in Leiden weer ongeveer op het niveau van de provincieverkiezingen van 2007. GroenLinks evenaart de uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen in juni, maar weet de goede uitslag van de Europese verkiezingen niet te evenaren. De SP lijkt weer uit een dal te klimmen en boekt de beste uitslag van de laatste vier verkiezingen, hoewel onder de topscore uit 2007.
De PVV wist in Leiden, net als in de rest van het land, haar topscore van juni niet te evenaren en viel terug tot onder de 10%. Dat lijkt ook in Leiden met de opkomst samen te hangen: in stembureaus waar meer kiezers kwamen opdagen, stemden significant minder mensen op de PVV (correlatie -0.57). De PVV verloor ten opzichte van juni vooral in de wijken waar ze het eerst goed deed: Leiden Noord en de Stevenshof (in beide wijken van ongeveer 25% naar ongeveer 15). Bij de VVD is een soortgelijke terugval ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezingen te zien, zij het minder sterk. Al met al kregen de landelijke coalitiepartijen in de sleutelstad dus minder stemmen dan bij de Tweede Kamerverkiezingen in juni. Of dat nu komt doordat mensen van mening zijn veranderd of omdat de opkomst onder VVD-, CDA- en PVV-kiezers lager is, kunnen we op basis van deze cijfers moeilijk zeggen, maar blijkbaar is het enthousiasme onder deze kiezers in ieder geval beperkt.
![]() |
| Uitslag in Leiden uitgesplitst naar politieke blokken |
Stemgedrag per wijk
Net als in eerdere verkiezingen waren de kiezers voor de verschillende partijen niet gelijk over de stad verdeeld. In de onderstaande tabel staan de percentages voor elke partij in de negen kiesdistricten van Leiden (en stembureau Leiden Centraal). De gekleurde balkjes geven aan waar partijen het relatief goed deden. Zo scoorde D66 in alle wijken boven de 10 procent, maar wist ze vooral in de Binnenstad en het Boerhaavedistrict goed te scoren. Hetzelfde patroon zien we bij GroenLinks, terwijl PVV en SP juist in deze wijken zwak scoren: zij doen het goed in Noord en de Stevenshof. De PvdA houdt een beetje in het midden: goede scores in Noord/Stevenshof, maar ook in de wijken in het Zuiden en Zuid-Oosten van de stad. Nieuwkomer 50PLUS doet het net als CDA en VVD goed in de wijken buiten het centrum.
![]() |
| Stempercentages Provinciale Staten 2001 per wijk |
De gegevens uit de tabel zijn gevisualiseerd in onder staand figuur (met behulp van een correspondentieanalyse). In deze 'ruimte' staan zowel partijen als wijken. Als een partij dicht bij een wijk staat, betekent dit dat de partij het relatief goed deed in die wijk. Staan ze ver af van een wijk, dan deed de partij het daar relatief slecht. De gegevens uit de tabel kunnen niet perfect worden weergegeven in het tweedimensionale figuur, maar geeft toch een redelijke indruk van de patronen. Er lijken twee tegenstellingen een rol te spelen. Aan de ene kant zijn er 'volkswijken' tegenover 'liberale wijken': ofwel wijken waar volkspartijen als PVV, SP (en nu ook weer de PvdA) het relatief goed deden (bijv. Stevenshof, Mors, Noord), en wijken waar D66, GroenLinks en in mindere mate de VVD goed scoorden (m.n. Binnenstad, Boerhavedistrict en Stationsdistrict). Daarnaast lijkt er een tegenstelling tussen de woonwijken aan de rand van de stad, waar CDA, VVD en 50PLUS goed scoorden, en de wijken die in of dicht bij het centrum liggen. De hier gevonden stempatronen lijken erg op die bij de Gemeenteraadsverkiezingen en Tweede Kamerverkiezingen van vorig jaar.
Voorkeursstemmen
Van de ruim 54.000 stemmen in Leiden werden er uim 25.500 niet op de lijsttrekker uitgebracht. In de top-10 van voorkeursstemmen zien we daarom ook een aantal runners-up terug. Bij de nummers twee van PvdA en VVD zal hun Leidse achtergrond daarbij vast een rol hebben gespeeld. De nummer twee van GroenLinks, afkomstig uit Voorschoten, wist in Leiden zelfs meer stemmen te halen dan haar lijsttrekker. GroenLinkers zijn dan ook notoire hoogste-vrouw stemmers.
![]() |
| Voorkeursstemmen in Leiden (PS 2011) |
In de top-10 van Leidse kandidaten doen zoals te verwachten vooral de hooggeplaatste politici het goed. Desalniettemin deden bijvoorbeeld Eva de Bakker (SP) en Joost Röselaers (D66) het behoorlijk goed voor kandidaten die vijfde respectievelijk achtste waren geplaatst. Opvallend is ook de goede score van raadslid en D66-kandidaat nummer 42, Elze 't Hart.
![]() |
| Voorkeursstemmen in Leiden op Leidse kandidaten (PS 2011) |
De verdeling tussen mannen en vrouwen was opvallend gelijk. In totaal stemde 50,5% van de Leidse kiezers op een man en 49,5% op een vrouw. Dit vertaalt zich echter niet in een gelijke verdeling in de staten, waar 'slechts' 19 van de 55 gekozenen vrouw zijn.
Met dank aan de gemeente Leiden voor het beschikbaar stellen van de data. Zie de gemeentelijke website voor meer verkiezingsuitslagen.
donderdag 3 maart 2011
Eerste Kamer blijkt lastig te peilen
Voorafgaande aan de verkiezingen voor de Provinciale Staten kwamen de peilingbureaus met inschattingen wat deze verkiezingen zouden betekenen voor de samenstelling van de Eerste Kamer. Peilen is niet eenvoudig en voor de Eerste Kamer al helemaal niet: verschuivingen in één bepaalde provincie kunnen net het verschil maken in de Senaat. Dat blijkt ook uit een vergelijking van de peilingen/prognoses met de (voorlopige) uitslag.
Op dit weblog heb ik de laatste weken prognoses voor de Eerste Kamer gepubliceerd, gebaseerd op Tweede Kamerpeilingen (TNS NIPO, Peil en Synovate), opkomstverwachtingen en regionale verschillen in partijkeur. De vergelijking van mijn laatste model op basis van de peilingen tot en met 2 maart laat zien dat deze aanpak redelijk succesvol was. In onderstaande figuur staat de laatste verwachting, waarbij het aantal verwachte zetels (volgens het ANP) grijs is gekleurd. Bij een aantal partijen is de meest waarschijnlijke verwachting bewaarheid geworden: ChristenUnie, D66, SGP en de overigen behaalden even veel zetels als verwacht. Bij een aantal andere partijen lag het uiteindelijke percentage ruim binnen de foutmarge: GroenLinks, PvdA, PvdD, SP en VVD. Alleen bij het CDA (en in zekere zin ook bij de PVV) is dit niet het geval: deze partij deed het met 11 zetels duidelijk beter dan verwacht. Slechts in één van de 1000 simulaties van het model kreeg het CDA dat aantal. CDA’ers blijken nog trouwer te zijn opgekomen dan verwacht, maar er kan ook sprake zijn van een last-minute ‘pity swing’: stemmers voor de coalitie die niet wilden dat de meest rechtse partijen in de coalitie de overhand zouden krijgen.
In vergelijking met de laatste Eerste Kamer peilingen van Peil.nl (Maurice de Hond) en Synovate (Politieke Barometer) deed het hier gepubliceerde model het goed. De grote peilingbureaus zaten er beide 14 zetels naast, terwijl de prognose van deze site er ‘slechts’ 8 zetels naast zat. Daarmee deden de grote bureaus het slechter dan bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen, toen ze er ook zo’n 15 zetels naast zaten, maar toen op een totaal van 150 (nu 14 op 75 zetels). Alleen de exit poll van Synovate deed het nog beter: die zat er 4 zetels naast. Helaas voor de samenstellers van de exit poll zat die afwijking nu juist in het verschil tussen oppositie en coalitie (de coalitie stond in de exit poll op 35, maar lijkt uiteindelijk af te stevenen op 37).
Bovenstaand beeld laat zien dat het loont om de gegevens van verschillende peilingbureaus te combineren. Daardoor worden bijvoorbeeld uitschieters uitgevlakt. Daarnaast lijkt het er op dat de hier gebruikte methodiek van het omrekenen van de uitslag naar de Provinciale Staten beter werkt dan de omrekenmethodes van de peilingbureaus – hoewel dat lastig te zeggen is omdat zij niet erg duidelijk zijn hoe ze tot hun Eerste Kamer prognoses komen. Daarnaast is het van belang om duidelijk te maken welke onzekerheidsmarges een rol spelen. Dat kan wellicht voorkomen dat er zure stukjes in kranten verschijnen waarin wordt gemeld dat peilingen ‘er altijd naast zitten’. Peilingen hebben onzekerheidsmarges en daarmee moet rekening worden gehouden: één zetel afwijking per partij betekent niet dat de peiling niet deugt, want dat valt binnen de foutmarge. Aan de wetten van de steekproeftrekking ontkomt namelijk niemand.
Op dit weblog heb ik de laatste weken prognoses voor de Eerste Kamer gepubliceerd, gebaseerd op Tweede Kamerpeilingen (TNS NIPO, Peil en Synovate), opkomstverwachtingen en regionale verschillen in partijkeur. De vergelijking van mijn laatste model op basis van de peilingen tot en met 2 maart laat zien dat deze aanpak redelijk succesvol was. In onderstaande figuur staat de laatste verwachting, waarbij het aantal verwachte zetels (volgens het ANP) grijs is gekleurd. Bij een aantal partijen is de meest waarschijnlijke verwachting bewaarheid geworden: ChristenUnie, D66, SGP en de overigen behaalden even veel zetels als verwacht. Bij een aantal andere partijen lag het uiteindelijke percentage ruim binnen de foutmarge: GroenLinks, PvdA, PvdD, SP en VVD. Alleen bij het CDA (en in zekere zin ook bij de PVV) is dit niet het geval: deze partij deed het met 11 zetels duidelijk beter dan verwacht. Slechts in één van de 1000 simulaties van het model kreeg het CDA dat aantal. CDA’ers blijken nog trouwer te zijn opgekomen dan verwacht, maar er kan ook sprake zijn van een last-minute ‘pity swing’: stemmers voor de coalitie die niet wilden dat de meest rechtse partijen in de coalitie de overhand zouden krijgen.
![]() |
| Simulaties Eerste Kamer model: vergelijking met uitslag (grijze staven geven gerealiseerd zetelaantal aan volgens verwachting ANP) |
In vergelijking met de laatste Eerste Kamer peilingen van Peil.nl (Maurice de Hond) en Synovate (Politieke Barometer) deed het hier gepubliceerde model het goed. De grote peilingbureaus zaten er beide 14 zetels naast, terwijl de prognose van deze site er ‘slechts’ 8 zetels naast zat. Daarmee deden de grote bureaus het slechter dan bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen, toen ze er ook zo’n 15 zetels naast zaten, maar toen op een totaal van 150 (nu 14 op 75 zetels). Alleen de exit poll van Synovate deed het nog beter: die zat er 4 zetels naast. Helaas voor de samenstellers van de exit poll zat die afwijking nu juist in het verschil tussen oppositie en coalitie (de coalitie stond in de exit poll op 35, maar lijkt uiteindelijk af te stevenen op 37).
Bovenstaand beeld laat zien dat het loont om de gegevens van verschillende peilingbureaus te combineren. Daardoor worden bijvoorbeeld uitschieters uitgevlakt. Daarnaast lijkt het er op dat de hier gebruikte methodiek van het omrekenen van de uitslag naar de Provinciale Staten beter werkt dan de omrekenmethodes van de peilingbureaus – hoewel dat lastig te zeggen is omdat zij niet erg duidelijk zijn hoe ze tot hun Eerste Kamer prognoses komen. Daarnaast is het van belang om duidelijk te maken welke onzekerheidsmarges een rol spelen. Dat kan wellicht voorkomen dat er zure stukjes in kranten verschijnen waarin wordt gemeld dat peilingen ‘er altijd naast zitten’. Peilingen hebben onzekerheidsmarges en daarmee moet rekening worden gehouden: één zetel afwijking per partij betekent niet dat de peiling niet deugt, want dat valt binnen de foutmarge. Aan de wetten van de steekproeftrekking ontkomt namelijk niemand.
donderdag 24 februari 2011
Prognose Eerste Kamer: stabiel beeld, maar onzeker
De verschuivingen in de recente peiling van Synovate, waarin het CDA twee zetels wint en de PvdA er twee verliest, leiden niet tot grote veranderingen in mijn prognose voor de Eerste Kamer. De doorrekening van de gemiddelde Tweede Kamer peilingen (rekening houdend met regionale patronen en opkomstverschillen) geeft alleen één zetel verlies voor de PvdA. De effecten voor de andere partijen zijn zeer klein.
De kans dat er een meerderheid is voor de coalitiepartijen (VVD, PVV en CDA) bedraagt ongeveer 34% - in 339 van de 1000 simulaties van het Eerste Kamer model kregen de regeringspartijen namelijk 38 zetels of meer. Er is dus een behoorlijke onzekerheid omtrent de voorkeuren van kiezers en hoe deze doorwerken naar het landelijk beeld. Specifieke regionale patronen in 2011 zijn namelijk lastig te vangen - in doorrekeningen als deze of in 'directe' Eerste Kamer peilingen. Die patronen kunnen dit keer nu net de doorslag geven. Daarnaast is de positie van de kleinere partijen straks wellicht bepalend (SGP en 50+, die hier in de categorie 'overig' staat en waarschijnlijk één of twee zetels krijgt). Als de coalitiepartijen net geen meerderheid krijgen, kan een deal met één van deze partijen de regering toch in het zadel houden.
De kans dat er een meerderheid is voor de coalitiepartijen (VVD, PVV en CDA) bedraagt ongeveer 34% - in 339 van de 1000 simulaties van het Eerste Kamer model kregen de regeringspartijen namelijk 38 zetels of meer. Er is dus een behoorlijke onzekerheid omtrent de voorkeuren van kiezers en hoe deze doorwerken naar het landelijk beeld. Specifieke regionale patronen in 2011 zijn namelijk lastig te vangen - in doorrekeningen als deze of in 'directe' Eerste Kamer peilingen. Die patronen kunnen dit keer nu net de doorslag geven. Daarnaast is de positie van de kleinere partijen straks wellicht bepalend (SGP en 50+, die hier in de categorie 'overig' staat en waarschijnlijk één of twee zetels krijgt). Als de coalitiepartijen net geen meerderheid krijgen, kan een deal met één van deze partijen de regering toch in het zadel houden.
![]() |
| Prognose Eerste Kamerzetels op basis van 1000 simulaties (Leesvoorbeeld: in ruim 40 procent van de simulaties kreeg het CDA 9 zetels) |
![]() |
| Prognose totaal aantal zetels voor VVD, PVV en CDA in Eerste Kamer op basis van 1000 simulaties (er zijn 38 zetels nodig voor de meerderheid) |
maandag 21 februari 2011
Prognose Eerste Kamer: meerderheid coalitie zeer onzeker
Als er vandaag verkiezingen voor de Eerste Kamer zouden worden gehouden, zouden de coalitiepartijen tussen de 35 en 40 zetels halen, zo blijkt uit een doorrekening van de beschikbare cijfers van de peilingen. Er is behoorlijke onzekerheid over de partijvoorkeur en de opkomstbereidheid van kiezers. De VVD zou volgens de simulatie waarschijnlijk 16 of 17 zetels halen, maar ook de PvdA heeft haar positie behoorlijk verstevigd in de afgelopen weken: 13 of 14 zetels. De PVV doe het weliswaar goed in de peilingen voor de Tweede Kamer, maar het is zeer de vraag of de opkomstbereidheid van de PVV-kiezers net zo hoog is als in voorgaande verkiezingen. Voorlopig lijkt de partij 11 of 12 Eerste Kamerzetels te krijgen (dat zouden er 2 à 3 meer kunnen zijn als de opkomstbereidheid hoger zou zijn).
De bovenstaande schattingen zijn gebaseerd op een rekenkundig model dat de beschikbare peilingen voor de Tweede Kamer gebruikt om een schatting te maken van de samenstelling van de Eerste Kamer, daarbij rekening houdend met regionale stempatronen (in de laatste drie verkiezingen voor Tweede Kamer, Europees Parlement en Provinciale Staten) en de opkomstbereidheid onder de aanhangers van de verschillende partijen (op basis van het verschil in uitslag tussen de Eerste Kamerpeilingen en Tweede Kamerpeilingen van Synovate, Peil en TNS NIPO).
![]() |
| Prognose Eerste Kamerzetels op basis van 1000 simulaties (Leesvoorbeeld: in iets meer dan 40 procent van de simulaties kreeg het CDA 9 zetels) |
Bij de overige partijen zien we een stevige daling van het CDA (8 tot 10 zetels), die mee kan vallen als de trouwe kiezers ook dit keer hun christendemocratische burgerplicht vervullen. De SP staat op 7 of 8 zetels, D66 op 5 of 6 en GroenLinks op 4 of 5. De uitslagen van de kleine partijen zijn lastig door te rekenen; de CU moet waarschijnlijk een verlies inboeken ten opzichte van 2007, terwijl SGP en PvdD redelijk stabiel staan.
In totaal komen de coalitiepartijen volgens deze berekening waarschijnlijk uit op 37 zetels, maar het zouden er ook goed 36 of 38 kunnen zijn. Er is namelijk nogal wat onzekerheid, met name wat betreft de opkomst. Deze onzekerheid zit overigens ook in de Eerste Kamer 'peilingen' van Synovate en Peil, al maakt men niet duidelijk hoe groot deze onzekerheid precies is. Peilers die met stelligheid beweren dat er op dit moment wel of geen meerderheid voor de coalitie is (waarbij hun totalen uitkomen op 37 of 38 zetels), houden u voor het lapje. Er is een behoorlijke onzekerheid in elke peiling en voor een getrapt verkozen orgaan neemt deze alleen maar toe. Het is spannend of de coalitie de meerderheid krijgt en dat is eigenlijk ook wel boeiend.
In totaal komen de coalitiepartijen volgens deze berekening waarschijnlijk uit op 37 zetels, maar het zouden er ook goed 36 of 38 kunnen zijn. Er is namelijk nogal wat onzekerheid, met name wat betreft de opkomst. Deze onzekerheid zit overigens ook in de Eerste Kamer 'peilingen' van Synovate en Peil, al maakt men niet duidelijk hoe groot deze onzekerheid precies is. Peilers die met stelligheid beweren dat er op dit moment wel of geen meerderheid voor de coalitie is (waarbij hun totalen uitkomen op 37 of 38 zetels), houden u voor het lapje. Er is een behoorlijke onzekerheid in elke peiling en voor een getrapt verkozen orgaan neemt deze alleen maar toe. Het is spannend of de coalitie de meerderheid krijgt en dat is eigenlijk ook wel boeiend.
![]() |
| Prognose totaal aantal zetels voor VVD, PVV en CDA in Eerste Kamer op basis van 1000 simulaties (er zijn 38 zetels nodig voor de meerderheid) |
De bovenstaande schattingen zijn gebaseerd op een rekenkundig model dat de beschikbare peilingen voor de Tweede Kamer gebruikt om een schatting te maken van de samenstelling van de Eerste Kamer, daarbij rekening houdend met regionale stempatronen (in de laatste drie verkiezingen voor Tweede Kamer, Europees Parlement en Provinciale Staten) en de opkomstbereidheid onder de aanhangers van de verschillende partijen (op basis van het verschil in uitslag tussen de Eerste Kamerpeilingen en Tweede Kamerpeilingen van Synovate, Peil en TNS NIPO).
vrijdag 11 februari 2011
Opkomst: bepalende factor bij Statenverkiezingen?
Binnenlands Bestuur meldde gisteren dat een Eerste Kamermederheid voor de coalitiepartijen nog uiterst onzeker is. Ze baseerde zich daarbij op een nog te publiceren onderzoek van TNS NIPO. Dit lijkt in tegenspraak met de uitkomsten van een model van de samenstelling van de Eerste Kamer dat ik hier eerder publiceerde: daaruit bleek nou juist dat er een vrij duidelijke rechtse meerderheid is. Dat vraagt om een verklaring.
De verschillen tussen de studie van TNS NIPO en mijn eigen doorrekening op basis van peilingen kunnen grotendeels worden verklaard door de verwachte opkomst. Een partijachterban hebben is leuk, maar ze moeten ook wel daadwerkelijk de 'moeite' nemen om naar de stembus te gaan. In mijn eigen analyse werd slechts rudimentair rekening gehouden met mogelijke verschillen in opkomst tussen kiezersgroepen, terwijl TNS NIPO peilt dat er grote verschillen tussen die groepen zijn. Zo geeft in hun peiling slechts 40 procent van de PVV'ers aan zeker te gaan zullen stemmen, terwijl 69 procent van de D66-achterban dit te zullen gaan doen. Andere partijen die hoog scoren zijn PvdA, GroenLinks en CDA (allen 64 procent of hoger), terwijl ook de VVD achterblijft (55 procent).
Om het effect van deze opkomst op de uitkomsten van de simulatie te bekijken heb ik een analyse zonder en een analyse met een opkomstcorrectie gemaakt. De opkomstcorrectie is gebaseerd op basis van de cijfers van TNS NIPO, waarbij voor de partijen waarvoor geen cijfer gerapporteerd werd het gemiddelde is genomen (47%, behalve voor ChristenUnie en SGP, die traditioneel een trouwe achterban hebben: zij zijn net als D66 op 69 procent geschat). Omdat deze verwachte opkomstcijfers op een peiling gebaseerd zijn, is ook de onzekerheid van die schattingen meegenomen - en die is hoog, want per partij is hooguit een paar honderd kiezers meegenomen (ik ben uitgegaan van een totaal aantal ondervraagden van 1000, BB specificeert dit niet, maar dit is vrij normaal voor politieke onderzoeken bij TNS NIPO). Voor de verdere details van de gedraaide simulaties, zie mijn oorspronkelijke artikel.
Bovenstaande figuur geeft de gemiddelde zetelaantallen in 1000 simulaties. Het grootste verschil tussen een model met en een model zonder opkomstcorrectie is te zien bij de PVV: als we niet voor de opkomst corrigeren (althans niet meer dan de peilingen normaal gesproken doen) dan komt het model gemiddeld uit op bijna 14-zetels, met een opkomstcorrectie is dat nog maar 9,5. De PvdA wint juist bijna twee zetels als we de opkomstverwachting van TNS NIPO meenemen in het model, terwijl ook CDA, D66 en GroenLinks profiteren met ongeveer één zetel. De SP verliest ook iets terrein, hoewel voor de SP geen specifieke cijfers genoemd werden in het BB-artikel en hun inschatting dus op het gemiddelde is gebaseerd (dit geldt evenzeer voor de PvdD). De VVD lijkt profijt noch last te hebben van de opkomst. De opkomstcorrectie leidt dus tot grote verschuivingen, ook in de meerderheid van de coalitiepartijen gezamenlijk. Zonder correctie komt deze uit op meest waarschijnlijk 40 zetels, met opkomstcorrectie op 37 zetels. Een verschil dat de regering kan maken of breken.
De verschillen tussen de studie van TNS NIPO en mijn eigen doorrekening op basis van peilingen kunnen grotendeels worden verklaard door de verwachte opkomst. Een partijachterban hebben is leuk, maar ze moeten ook wel daadwerkelijk de 'moeite' nemen om naar de stembus te gaan. In mijn eigen analyse werd slechts rudimentair rekening gehouden met mogelijke verschillen in opkomst tussen kiezersgroepen, terwijl TNS NIPO peilt dat er grote verschillen tussen die groepen zijn. Zo geeft in hun peiling slechts 40 procent van de PVV'ers aan zeker te gaan zullen stemmen, terwijl 69 procent van de D66-achterban dit te zullen gaan doen. Andere partijen die hoog scoren zijn PvdA, GroenLinks en CDA (allen 64 procent of hoger), terwijl ook de VVD achterblijft (55 procent).
Om het effect van deze opkomst op de uitkomsten van de simulatie te bekijken heb ik een analyse zonder en een analyse met een opkomstcorrectie gemaakt. De opkomstcorrectie is gebaseerd op basis van de cijfers van TNS NIPO, waarbij voor de partijen waarvoor geen cijfer gerapporteerd werd het gemiddelde is genomen (47%, behalve voor ChristenUnie en SGP, die traditioneel een trouwe achterban hebben: zij zijn net als D66 op 69 procent geschat). Omdat deze verwachte opkomstcijfers op een peiling gebaseerd zijn, is ook de onzekerheid van die schattingen meegenomen - en die is hoog, want per partij is hooguit een paar honderd kiezers meegenomen (ik ben uitgegaan van een totaal aantal ondervraagden van 1000, BB specificeert dit niet, maar dit is vrij normaal voor politieke onderzoeken bij TNS NIPO). Voor de verdere details van de gedraaide simulaties, zie mijn oorspronkelijke artikel.
Bovenstaande figuur geeft de gemiddelde zetelaantallen in 1000 simulaties. Het grootste verschil tussen een model met en een model zonder opkomstcorrectie is te zien bij de PVV: als we niet voor de opkomst corrigeren (althans niet meer dan de peilingen normaal gesproken doen) dan komt het model gemiddeld uit op bijna 14-zetels, met een opkomstcorrectie is dat nog maar 9,5. De PvdA wint juist bijna twee zetels als we de opkomstverwachting van TNS NIPO meenemen in het model, terwijl ook CDA, D66 en GroenLinks profiteren met ongeveer één zetel. De SP verliest ook iets terrein, hoewel voor de SP geen specifieke cijfers genoemd werden in het BB-artikel en hun inschatting dus op het gemiddelde is gebaseerd (dit geldt evenzeer voor de PvdD). De VVD lijkt profijt noch last te hebben van de opkomst. De opkomstcorrectie leidt dus tot grote verschuivingen, ook in de meerderheid van de coalitiepartijen gezamenlijk. Zonder correctie komt deze uit op meest waarschijnlijk 40 zetels, met opkomstcorrectie op 37 zetels. Een verschil dat de regering kan maken of breken.
![]() | ![]() |
| Zonder opkomstcorrectie | Met opkomstcorrectie |
De vraag is echter hoe waarschijnlijk het is dat de opkomstcorrectie zo stevig zal zijn. Het is nu immers nog meer dan twee weken voor de verkiezingen en het is bekend dat PVV-kiezers niet heel politiek geïnteresseerd zijn. Wilders kan zijn mobilisatie-achterstand nog (grotendeels) goed maken. Dat blijkt ook als we kijken naar de verschillen tussen de peilingen voor de laatste Europese Verkiezingen - net als de Provinciale Staten zijn dat zogenaamde tweede-orde verkiezingen - en de uitslag. Toen haalde de PVV uiteindelijk 17 procent van de stemmen, terwijl zij in de peilingen van Peil.nl en de Politieke Barometer gemiddeld op 18,3 procent stond. De PVV wist dus uiteindelijk 93% van haar 'peilingpotentieel' te realiseren. Ter vergelijking: als we het verschil tussen de twee simulaties (met en zonder zetelcorrectie) uitdrukken in een percentage is dat slechts 64% voor de PVV. De inschatting op basis van het TNS NIPO onderzoek lijkt dus wel erg somber in vergelijking met de resultaten van de PVV in 2009. Juist de PvdA deed het bij de EP 2009 verkiezingen slecht ten opzichte van de peilingen, maar dit kan ook deels komen omdat ze in de laatste campagneweek niet erg sterk uit de verf kwam (hoewel de peilingen na de EP verkiezingen niet heel erg veel afweken van die ervoor). De PvdA-achterban wordt in het TNS NIPO onderzoek juist genoemd als één die al in vrij grote getale zeker weet te zullen gaan stemmen. Er is dus behoorlijke onzekerheid over de precieze effecten van de opkomst. Al met al lijken de door TNS NIPO genoemde cijfers het 'worst-case' scenario voor de coalitiepartijen.
We kunnen het model met een stevige opkomstcorrectie als meest ongunstig beschouwen voor de coalitie en het model zonder die correctie als meest gunstige. Het verschil voor de coalitiemeerderheid is daarbij zo'n 3 zetels, maar er is behoorlijk wat onzekerheid: in het voor de coalitie ongunstige model is de kans op minimaal 38 voor hen momenteel 40%, terwijl deze kans ruim 98% is in het voor hen gunstige model. Op basis van de vergelijking met de Europese Verkiezingen in 2009 lijkt het laatste scenario meer waarschijnlijk dan het eerste, maar elke verkiezing heeft z'n eigen dynamiek en Provinciale Statenverkiezingen zijn toch weer anders dan die voor het Europees parlement. De opkomst maakt dus zeker een verschil, maar hoe groot dat is, blijft voorlopig onduidelijk.
We kunnen het model met een stevige opkomstcorrectie als meest ongunstig beschouwen voor de coalitie en het model zonder die correctie als meest gunstige. Het verschil voor de coalitiemeerderheid is daarbij zo'n 3 zetels, maar er is behoorlijk wat onzekerheid: in het voor de coalitie ongunstige model is de kans op minimaal 38 voor hen momenteel 40%, terwijl deze kans ruim 98% is in het voor hen gunstige model. Op basis van de vergelijking met de Europese Verkiezingen in 2009 lijkt het laatste scenario meer waarschijnlijk dan het eerste, maar elke verkiezing heeft z'n eigen dynamiek en Provinciale Statenverkiezingen zijn toch weer anders dan die voor het Europees parlement. De opkomst maakt dus zeker een verschil, maar hoe groot dat is, blijft voorlopig onduidelijk.
dinsdag 8 februari 2011
Update Eerste Kamer Model: Rechts verstevigt positie
Uit de meest recente simulatie van de samenstelling van de Eerste Kamer, gebaseerd op de uitkomsten van landelijke peilingen, blijkt dat de rechtse partijen hun positie verder hebben verstevigd. In ruim 96% van de simulatie-uitkomsten behalen de rechtse partijen een meerderheid in de Eerste Kamer. Met name de positie van VVD en PVV lijkt iets gunstiger dan vorige week. GroenLinks doet het slechter in de peilingen en krijgt waarschijnlijk 4 zetels in de Eerste Kamer (tegenover 5 vorige week). De SP staat er ook iets slechter voor dan vorige week (van waarschijnlijk 10 naar waarschijnlijk 9 zetels). De PvdA wint juist een zetel in het meest waarschijnlijke scenario. Net als vorige week krijgen de drie coalitiepartijen gezamenlijk 39 of 40 zetels in de Eerste Kamer.
De bovenstaande voorspelling is gebaseerd op een model dat de peilingen van de Tweede Kamer-peilingen van Peil.nl, Synovate en TNS NIPO omrekent naar een voorspelling voor de Eerste Kamer. Een toelichting is hier te vinden.
![]() |
| Figuur: Verwachte aantal Eerste Kamerzetels per partij, resultaat van 10.000 simulaties. (Leesvoorbeeld: in iets meer dan 40% van de simulaties kreeg de PVV 14 Eerste Kamerzetels) |
![]() |
| Figuur: Verwachte aantal zetels voor VVD/PVV/CDA op basis van 10.000 simulaties |
De bovenstaande voorspelling is gebaseerd op een model dat de peilingen van de Tweede Kamer-peilingen van Peil.nl, Synovate en TNS NIPO omrekent naar een voorspelling voor de Eerste Kamer. Een toelichting is hier te vinden.
Abonneren op:
Posts (Atom)


















