Pages

donderdag 10 juni 2010

Verkiezingen 2010: de Leidse uitslagen

Nu de stofwolken van de uitslagenavond zijn opgetrokken, kunnen we de verkiezingsuitslagen in Nederland vergelijken met die in Leiden. Onderstaande grafiek geeft de uitslagen van de Tweede Kamerverkiezingen in 2006 en 2010 weer, evenals die van de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen. Duidelijke winnaars zijn in Leiden ook de PVV en D66: van 5%/4,5% naar 13%/14%. Beide partijen zijn dus meer dan verdubbeld. Ook de VVD en GroenLinks wisten in Leiden winst te boeken van ongeveer 3 respectievelijk 1,5 procentpunt. Verliezers zijn het CDA (min 10 procentpunt) en de SP (-8,4 procentpunt). De Partij van de Arbeid boekt weliswaar een klein verlies, maar weet zich wel te handhaven als grootste partij. Ook is de PvdA-uitslag duidelijk beter dan bij de gemeenteraadsverkiezingen. We zien dat drie van de vier ‘oude’ collegepartijen het beter doen bij de Tweede Kamerverkiezingen dan bij de gemeenteraadsverkiezingen: PvdA, VVD en GL. D66 doet het juist aanmerkelijk minder goed dan in maart. Dit suggereert dat D66 destijds een goede uitslag heeft geboekt, mede gebaseerd op lokale factoren.


De patronen van winst en verlies in Leiden lijken erg op de landelijke trends: partijen die landelijk winnen, winnen ook in Leiden, partijen die landelijk verliezen, doen dat ook in Leiden. Je ziet wel dat de meeste partijen het in Leiden qua procentuele winst of verlies iets slechter doen dan landelijk. Zo verliest het CDA in Leiden meer dan de helft van haar stemmen (-61%), terwijl het CDA landelijk 48% van haar aanhang uit 2006 verliest. D66 wint landelijk 245% procent; in Leiden ongeveer 210%. De VVD en GroenLinks winnen weliswaar in Leiden, maar procentueel is de winst kleiner dan gemiddeld in het hele land. De PvdA en PvdD verliezen in Leiden minder dan in landelijk, terwijl CDA en SP juist meer verliezen dan landelijk. De PVV doet het in Leiden iets beter dan landelijk.


Deze tendensen vertalen zich in een iets andere krachtsverhouding in Leiden ten opzichte van het landelijke beeld, dan voorheen. In onderstaande grafiek wordt de steun voor partijen in Leiden uitgedrukt als een percentage van de landelijke steun. Getallen boven de 100 geven aan dat een partij in Leiden relatief groot is, onder de 100 is een partij relatief klein. Het CDA, de ChristenUnie en de SGP zijn in Leiden van oudsher relatief klein en hun positie is gisteren nog zwakker geworden. De PvdA en PvdD staan juist relatief sterk in Leiden en sinds de laatste verkiezingen nog zelfs iets sterker. D66 en GroenLinks zijn in Leiden het grootst, vergelijken met hun landelijke grootte, maar deze partijen konden in Leiden hun landelijke groei niet evenaren. Dit is niet zo heel vreemd gezien het feit dat beide partijen vorige keer een zwakke uitslag boekten en het nu juist goed doen. Het suggereert dat de Leidse aanhang van deze partijen relatief trouw is. Tot op zekere hoogte geldt dit ook voor de VVD, die nu in Leiden iets minder groot is dan landelijk. De SP en CDA hebben in Leiden eerder wel een loyaliteitsprobleem: hier liepen de kiezers harder weg dan landelijk.

Vier (centrum)linkse partijen doen het in Leiden nog steeds relatief goed: PvdA, D66, GroenLinks en de PvdD. De steun voor PVV, VVD en SP ligt in Leiden iets onder het landelijk gemiddelde, terwijl de confessionele partijen het ronduit slecht doen. In dat opzicht lijkt Leiden erg op andere (middel)grote steden: links(-liberale) krijgen steun van studenten en hoger opgeleiden. Toch is er ook een relatief grote groep rechtse en rechts-populistische kiezers.





woensdag 9 juni 2010

Strategisch stemmen maakt ongelukkig

In de laatste dagen van de campagne gaat het vaak over het zogenaamde ‘strategisch stemmen’. Je stemt dan niet op je echte voorkeur, maar op een andere partij vanwege de premier of coalitie. Maar in Nederland heeft dat strategisch stemmen eigenlijk weinig zin. Uiteindelijk leidt het vaak tot desillusie: je hebt én niet op je eerste voorkeur gestemd én je ‘strategische doel’ wordt vaak ook niet bereikt.

In het buitenland wordt vooral strategisch gestemd vanwege het kiesstelsel. In Engeland zijn er kiesdistricten waar de Liberaal Democraten maar heel klein zijn; een stem op hen is dan ‘weggegooid’. Mensen kiezen daarom sneller voor een grote partij. In Duitsland hebben mensen twee stemmen die ze ook strategisch kunnen uitbrengen. Dit zijn vaak heel duidelijke situaties: mensen houden rekening met het kiesstelsel en stemmen niet op partijen die toch niet kunnen winnen. De kans op succes is daarom relatief groot.

In Nederland zijn de redenen om strategisch te stemmen vaak veel complexer. De eerste reden is om de ‘premier te kiezen’. De grootste partij levert immers vaak de premier. Dit is echter geen regel. Het CDA was niet de grootste toen Dries van Agt voor het eerst premier werd en Barend Biesheuvel was zelfs lid van een kleine middenpartij (ARP, 14 zetels). Mocht je enige doel zijn om Rutte, Cohen of Balkenende als premier te krijgen, dan kan een strategische stem enige invloed hebben. Maar er is geen garantie op succes: in 2006 kon u kiezen tussen Balkenende en Bos, maar kreeg u beide.

Een nog ingewikkelder reden om strategisch te stemmen is vanwege de kleur van de regering na de verkiezingen. Hierbij spelen echter nog veel meer factoren een rol. Als er weer 10 partijen worden verkozen, zijn er ongeveer 500 meerderheidscoalities mogelijk. Zelfs als D66 dus zegt een voorkeur te hebben voor Paars, zou de D66-kiezer kunnen worden verrast met een VVD-CDA-D66 kabinet. Dit geldt in feite voor alle partijen, behalve partijen die elkaar expliciet uitsluiten. En mocht u dan toch de coalitie willen beïnvloeden, dan is het verstandiger om wat ‘linkser’ of ‘rechtser’ te stemmen dan uw eigenlijke voorkeur. Iedereen die wel eens heeft afgedongen op een toeristenmarkt, weet immers dat je altijd wat lager moet inzetten dan wat je wil betalen. Met een stem op GroenLinks of SP, zet je de PvdA centraler in het nieuwe kabinet, met een stem op de PVV zet je de VVD in het midden van het kabinet. Ook hier geldt echter: de kans dat je voorkeurscoalitie dichterbij komt door je strategische stem is niet echt groot.

Wat leverde het in het verleden op, dat strategisch stemmen? Linkse kiezers die in 2006 strategisch voor Bos kozen, kregen Balkenende als premier met Bos erbij. En in 2003 werden D66’ers verrast met een centrum-rechts kabinet. Toen Kok wel premier werd in 1994 en 1998 was het verschil met de VVD dermate duidelijk (6 resp. 7 zetels) dat je je kunt afvragen hoe belangrijk de strategische stem toen was.

Uiteindelijk levert strategisch stemmen dus zeer beperkt resultaat op. En je levert er wel je ‘echte’ voorkeur er voor in. Als het gaat om de kleur van de coalitie moet je zelfs zeggen dat ‘strategisch’ op een grote partij stemmen een onverstandige zet is. Je kunt de regering beter naar ‘links’ of ‘rechts’ trekken door op GroenLinks, SP of PVV stemmen. Al met al eindigt de strategische stem eerder in desillusie dan in resultaat: je eerste voorkeur doet het niet goed, en je strategische doel wordt niet bereikt.

zondag 6 juni 2010

Onzeker en overschat: waarom peilingen maar peilingen zijn

Nu er dagelijks peilingen verschijnen, worden alle verschillen tussen die peilingen onder het vergrootglas gelegd. Elke dag schrijven kranten en websites over de verschuivingen van één of enkele zetels. Politicologen wijzen er terecht op dit soort conclusies op op drijfzand zijn gebouwd. Peilingen hebben foutmarges, zo wordt terecht opgemerkt. Hoe groot zijn die foutmarges nu precies?


De peilers kunnen het u niet vertellen. In de onderzoeksverantwoording van Peil.nl noch Politieke Barometer staat niets over de onzekerheid van de gepeilde zetelaantallen. Terwijl die onzekerheid er weldegelijk is. Je ondervraagt immers hooguit een paar duizend mensen. Als je een paar duizend andere mensen vraagt, is de uitkomst waarschijnlijk net anders. Dit wordt ook wel de foutmarge of het betrouwbaarheidsinterval genoemd. Je kunt eenvoudig berekenen hoe groot die betrouwbaarheidsinterval is, ingeval je een willekeurige (aselecte) steekproef trekt.

In een peiling met 1000 respondenten (zoals bij de Politieke Barometer), is er een (95%) foutmarge van plus of min 3,7 zetels voor een partij die 30 zetels krijg in de peiling. Die partij kan dus in werkelijkheid een steun hebben van tussen de ruim 26 en bijna 34 zetels. Beter gezegd: je kunt er 95% zeker van zijn dat het werkelijke zetelaantal tussen de 26 en 34 zetels ligt. Met meer respondenten wordt de foutmarge kleiner, hoewel het verschil tussen 3000 en 4000 (Peil.nl) mensen niet meer zo groot is. Voor kleinere partijen is de foutmarge natuurlijk ook kleiner, maar toch nog rond de twee zetels voor een partij die 10 zetels peilt. Verschuivingen tussen peilingen die binnen deze foutmarges liggen, zeggen dus niets. Ze kunnen net zo goed toevallig zijn, als ze een gevolg van een 'echte' kiezersverschuiving. Het is dus zeer opvallend dat de SGP in sommige peilingen altijd twee zetels scoort, zoals Joop van Holsteyn opmerkte. Als de peilers een echte willekeurige steekproef zouden trekken, zou dat zeer onwaarschijnlijk zijn: het zouden er ook regelmatig 1 of 3 moeten zijn.

Wegen

Bovenstaande foutmarges gelden voor een willekeurig getrokken steekproef. Maar het is heel lastig om een willekeurige steekproef te trekken. Niet iedereen staat in het telefoonboek of heeft internet. En als je met een klembord in het winkelcentrum gaat staan, kom je zeker geen doorsnee van de bevolking tegen. In de veelgebruikte internetpanels zijn daardoor bijvoorbeeld ouderen oververtegenwoordigd. De peilingbureaus corrigeren hiervoor door middel van het 'wegen' van de resultaten. De ouderen die wél in de steekproef zitten, wegen dan bijvoorbeeld zwaarder mee in de zetelberekening, want het zijn er relatief weinig. Van kenmerken zoals leeftijd, geslacht en inkomen weet je ook precies hoe die voorkomen onder de gehele bevolking en je kunt op die manier goed wegen. Wél een probleem is het als bepaalde mensen maar heel weinig in de steekproef voorkomen: hun wegingsfactor wordt dan zo hoog, dat de resultaten nog steeds erg onzeker zijn. Wegen helpt dus wel, maar het geen perfect oplossing. Als je het goed doet, komt je resultaat dan overeen met de foutmarges van een aselecte steekproef.

Je kunt ook weging toepassen om de foutmarges wat kleiner te maken dan bij een willekeurige steekproef. Als je bijvoorbeeld weet dat alle protestanten op het CDA stemmen, dan kun je het zetelaantal van het CDA beter voorspellen als je het aantal protestanten in de steekproef precies gelijk stelt aan het aantal protestanten in het hele land. Zulke voorspellers zijn er niet veel en ze voorspellen niet perfect. Maar het kan helpen. Eén van de voorspellende factoren is het stemgedrag in de vorige verkiezingen: een grote groep mensen stemt immers meestal op dezelfde partij. De voorspelling is niet perfect, maar het helpt wel.

Een weging naar stemgedrag in vorige verkiezingen verkleint de foutmarges, zo leert een simulatie op basis van het Nationaal Kiezers Onderzoek van 2006. Hierbij trok ik duizend keer een steekproef van 1000 mensen uit de database van dit onderzoek. Dit simuleert de mogelijke 'peilingen' die uit een hele bevolking zouden kunnen worden getrokken. De groene balken geven de gemiddelde verwachting van het stemmenpercentage in een ongewogen aselecte steekproef; de zwarte lijnen geven de onzekerheid van de verwachting aan. De blauwe balken geven de verwachting en onzekerheid aan van een gewogen steekproef, naar stemgedrag 2003. De gemiddelde verwachting is praktisch hetzelfde, maar de foutmarges zijn iets kleiner, met name voor de Christelijke partijen die een vaste aanhang hebben. Dergelijke wegingen kunnen dus de foutmarges verkleinen, maar dat hangt sterk af van de voorspellende waarde van de wegingsvariabele. De peilingsbureaus geven niet precies aan hoe ze wegen, dus het is lastig om te bepalen in hoeverre hun foutmarges worden beperkt door het wegen.


Wat beter kan

Allereerst moeten peilingbureaus duidelijk aangeven onder hoeveel mensen zijn ondervraagd en wat (bij benadering) de onzekerheid van de verwachting is. Vervolgens zou het enorm helpen als media geen onzin meer uitkramen op basis van verschuivingen tussen twee peilingen. Als trends over meerdere peilingen doorzetten, kun je met redelijke zekerheid iets zeggen. Maar als een partij van maandag op dinsdag twee zetels daalt in de peiling, hoeft dat niets te betekenen. Peilingen kunnen nuttige instrumenten zijn voor kiezers en politici. Maar wie de foutmarges vergeet, geeft geen cijfers, maar verkoopt praatjes.

maandag 31 mei 2010

Partijleiders als Telegraaf-journalist: weinig nieuws onder de zon

Vandaag mochten de lijsttrekkers van vijf grotere partijen (CDA, PvdA, VVD, PVV en D66) twee pagina's in de Telegraaf vullen. Deze kans op gratis propaganda lieten ze natuurlijk niet onbenut. Wat hadden ze te zeggen? Hieronder vijf Wordle's van de partijpagina's. Deze Wordle's geven niet weer hoe vaak een partij een woord heeft gebruikt, zoals normaal. Deze plaatjes laten zien welke woorden relatief vaak worden gebruikt door partijen. De partijnamen en namen van de lijsttrekkers zijn overal weggelaten.

CDA
Bij het CDA zijn er een heleboel kandidaten: Maxime Verhagen, De Jager, Ab Klink, Marja van Bijsterveldt. Die worden vaak genoemd. Daarnaast is er aandacht voor Nederlandse helden, zoals Vrijwilligers, (Schoenfabriek) Van Bommel en André Rieu. Er staat wel een artikel over de hypotheekrenteaftrek in, maar dat komt niet sterk naar voren. Waarom niet is wel duidelijk als je de VVD-Wordle bekijkt.

PvdA
De PvdA heeft veel aandacht voor economische thema's: overheidsfinanciën, banken, inkomen, lasten, belasting, schouders. Er staan wel wat namen van kandidaten tussen (Plasterk), maar veel minder dan bij het CDA.

VVD
Voor een partij die geen breekpunt wil maken over het H-woord, besteedt de VVD er toch behoorlijk veel aandacht aan. Bijna alle woorden die ook maar iets met wonen te maken hebben, komen vaak voor bij de VVD (zelfs half afgebroken varianten komen meermalen voor!). Daarnaast aandacht voor sport, afschaffen, en voor enkele kandidaten zoals Teeven en De Krom.

PVV
De PVV weet niet echt te verrassen: de aan immigratie verbonden woorden zijn prominent. Eén naam staat prominent vermeld, maar die is niet van een PVV-kandidaat. De PVV verwijst verder graag naar oud-premier Drees' staatspensioen (die overigens wel voor (geleidelijke) verhoging van de AOW-leeftijd was).

D66

Ook D66 noemt vaak namen van kandidaten, zoals Magda Berndsen en Boris van der Ham. De naam van Peter R. de Vries komt ook vaak voor; hij werd geïnterviewed in het D66-katern (onder andere over 'politie'). Daarnaast aandacht voor een aantal liberale en hedendaagse onderwerpen: donorregistratie, humanistisch verbond, twitter en games.

Deze impressie geeft weinig verassingen. Het CDA benadrukt Hollandse waarden, de PvdA economie en eerlijk delen, de VVD de hypotheekrenteaftrek, de PVV de immigratie en D66 (links-)liberale thema's. De partijen kiezen dus duidelijk voor de onderwerpen die ze denken te kunnen 'claimen' als hun thema. Een traditionele aanpak. Ook met journalisten op de redactie dus weinig nieuws onder de zon.

zondag 30 mei 2010

Peilingen en de winnaar van het Carrédebat

Na afloop van een politiek debat moet er om de één of andere reden altijd een winnaar worden aangewezen. Als u namelijk dacht dat zo’n debat een democratisch evenement was om de verschillen en overeenkomsten tussen partijen uiteen te zetten, heeft u het hartstikke fout. Het is een wedstrijd waarin de overtuigingskracht vooral wordt afgemeten aan de gulle lach en goede grap dan de inhoudelijke kracht van het argument. Het is immers veel makkelijker om achteraf te zeggen dat iemand er losjes bijstond dan of zijn inhoudelijke argumenten goed naar voren kwamen. Kijk de nabeschouwing er maar op na.

Om dan toch een ‘winnaar’ te kunnen uitroepen organiseerde RTL een door Synovate uitgevoerde peiling. Ongeveer 500 mensen gaven kort na het debat hun mening: wie had er gewonnen. Wat bleek: 23% vond Rutte de beste. Niet echt een grand slam, maar een duidelijke voorsprong op Halsema, de nummer twee. Overigens wisten de heren aan de nabeschouwingstafel daar weinig raad mee. Waarom was Halsema nou twee en niet Roemer? De SP-voorman had toch veel betere grappen gemaakt? Dat in een peiling met 500 mensen een verschil van 1% ruim binnen de foutmarge valt, konden de heren even niet bedenken. Of dat Halsema blijkbaar toch een bepaalde groep had weten te overtuigen ook niet.

Anderhalve dag later kwam ook Maurice de Hond met een peiling over de winnaar. Ook uit zijn peiling kwam Rutte als beste uit de bus, zelfs met een duidelijk hoger percentage: 34%. En de nummer twee was hier duidelijk Roemer, met 22%, voor Balkenende met 10%. Dat zijn nogal verschillen, ruim buiten de foutmarge. Er zijn natuurlijk vele problemen met peilingen, waardoor de foutmarge vaak groter is dan in het geval je een willekeurige steekproef zou trekken. Maar hier was volgens mij iets anders aan de hand. De peiling van De Hond werd pas de volgende dag uitgevoerd. Gedurende die dag kopten bijna alle media zoiets als: “Rutte wint; Roemer verrast”. Dat blijkt invloed te hebben: beide heren winnen zo’n 10 procentpunt ten opzichte van de Synovate peiling. Media-aandacht winnen lijkt dus minstens zo belangrijk als het winnen van het debat. Rutte verstevigt zijn positie en Roemer is ineens de Nick Clegg van de Lage Landen.


Eén kwalificatie kun je wel maken bij die uitslagen. Want het is voor de leider van een grote partij natuurlijk makkelijker om mensen te overtuigen dan voor een lijsttrekker van een kleine partij. Het gaat er om of je meer mensen overtuigt dan je eigen achterban, zoals Synovate al stelde. Die verhouding tussen winnaar van het debat zijn en het percentage stemmen in de peilingen, geeft aan wie meer dan de eigen achterban weet te overtuigen. In de grafiek zie je dat Roemer en Halsema in beide peilingen ruim boven de 100 scoren: zij overtuigen meer mensen dan de eigen achterban. In één van de twee peilingen scoren ook Rutte en Pechtold boven deze grens. Cohen doet het naar deze maatstaf duidelijk het slechtste: volgens de peiling van de Hond riep maar 7 procent hem als winnaar uit, terwijl hij wel 19 procent van de stemmen trekt.


Daarnaast is natuurlijk van belang welke kiezers iemand als winnaar uitroepen. De Hond vroeg zijn respondenten de deelnemers aan het debat op volgorde te zetten: van 1 (de beste) tot 8 (de slechtste). Het gemiddelde voor de kiezers van elke partij is hier gebruikt om een grafische weergave te maken van de verhouding tussen de kiezers van elke partij en hun scores voor de lijsttrekker. De partijlabels staan hier voor de kiezers van elke partij. Staat een groep kiezers dicht bij een lijsttrekker, dan vindt men dat deze het relatief goed heeft gedaan. Bijvoorbeeld: de PVV-kiezers waren tevreden over Wilders en Rutte, terwijl ze Cohen gemiddeld een lage ranking gaven. De CDA’ers staan dicht bij Balkenende maar ver van zowel Cohen als Wilders. De PvdA-kiezers moesten juist weer niets van Balkenende (en Wilders) hebben. Pijnlijk voor Cohen is dat zijn eigen achterban gemiddeld genomen Roemer hoger plaatste dan Cohen zelf. De twee winnaars van het debat (zeker in de peiling van De Hond) staan in het midden: Rutte en Roemer. Zij doen het goed onder kiezers van alle partijen, hoewel Rutte het duidelijk beter doet onder rechtse kiezers en Roemer onder linkse kiezers. De positie van Rouvoet is wat vertekend omdat De Hond geen informatie presenteert over de ChristenUnie kiezers, waarschijnlijk omdat die groep te klein is.

Het is interessant om te zien dat de traditionele driehoek in de Nederlandse politiek hier ook weer terug te zien is: links – economisch rechts – christelijk. Dit patroon wordt wel enigszins ‘verstoord’ doordat Rutte en Roemer het gemiddeld genomen goed hebben gedaan bij alle kiezers, maar is desalniettemin duidelijk zichtbaar, vooral in de positie van de lijsttrekkers. Kortweg: hou je van Wilders, dan moet je niets hebben van Balkenende en Cohen. Kiezersgroepen die van Balkenende houden, vinden juist Wilders en Cohen maar niks. En Cohen-getrouwen verafschuwen zowel Balkenende als Wilders. Het feit dat de ideologische tegenstellingen tussen partijen duidelijk naar voren komen laat zien dat in de beoordeling van het debat niet alleen meespeelt wie de beste debater is, maar ook welke argumenten worden gebruikt. Dat zouden de heren bij de naborrel wel wat duidelijker naar voren kunnen brengen.

Het onervaren Kamerlid. Over de dalende zittingsduur van parlementsleden.

Politici zijn eigenlijk maar amateurs. Er is geen opleiding tot Tweede Kamerlid of minister. Niemand heeft een diploma nodig om verkozen te worden: de kiezers beslissen uiteindelijk of ze iemand een geschikte vertegenwoordiger vinden. Natuurlijk, partijen kijken naar de kwaliteiten van hun kandidaat-politici. Maar actief zijn in het bedrijfsleven, maatschappelijke organisatie, als ambtenaar of zelfs als politicus op lokaal niveau is geen garantie dat je ook zult slagen als Tweede Kamerlid. Hoewel er veel wordt gesproken over de professionalisering van de politiek, zijn onze volksvertegenwoordiger meestal relatief onervaren.

Het Kamerlidmaatschap wordt steeds meer een carrièrestap in plaats van een roeping. Het is een opstapje naar een ministerschap, staatssecretariaat, lokaal bestuurder of een andere functie binnen of buiten de overheid. Nu is het niet zo slecht dat Tweede Kamerleden geen enorme plucheklevers zijn, maar enige balans tussen doorstroom en ervaring is wel belangrijk. De Kamer vormt immers de tegenmacht tegen regering en ambtenarij; om die controlerende taak uit de voeren is ervaring belangrijk.


In de huidige Tweede Kamer is bijna de helft (71 personen) korter dan 4 jaar Kamerlid. De meesten van hen zijn tijdens of na de verkiezingen in 2006 in de Tweede Kamer gekomen. Nog eens 37 personen zitten maximaal 8 jaar in de Kamer (die zijn dus voor het eerst verkozen na mei 2002). Slechts 28 Kamerleden hebben meer dan 10 jaar ervaring. Onder die ervaren Kamerleden bevinden zich SGP-fractievoorzitter Bas van der Vlies, GroenLinks-fractievoorzitter Femke Halsema en PVV-fractievoorzitter Geert Wilders. Gemiddeld genomen is de parlementaire ervaring nu iets meer dan 6 jaar. Ter vergelijking: in Engeland was de gemiddelde zittingsduur kort voor de verkiezingen in mei bijna 15 jaar. Ministers zijn daar ook parlementslid, wat de cijfers iets vertekent, maar zelfs dan: een groot verschil.


Tussen de Tweede Kamerfracties zitten enkele opvallende verschillen. De twee SGP’ers hebben samen meer parlementaire ervaring dan de negenkoppige PVV-fractie bij elkaar. Naast de nestor van de Kamer Van der Vlies, heeft ook Kees van der Staaij (SGP) namelijk al ruim 12 jaar ervaring. Partijen die bij de vorige verkiezing veel gewonnen hebben, zien we onderaan. De fracties van de PvdD en lid Verdonk waren geheel nieuw in 2006, maar ook bij de PVV en SP waren veel nieuwe gezichten te zien. De ChristenUnie-fractie werd sterk vernieuwd nadat André Rouvoet en Tineke Huizinga naar het kabinet vertrokken. De overige fracties zitten allemaal rond de zes jaar. Opvallend is daarbij dat de fractie van GroenLinks gemiddeld ruim 7 jaar ervaring heeft, terwijl deze partij in haar regels heeft staan dat een parlementariër maximaal 12 jaar mag zitten. Die regel leidt er dus niet noodzakelijkerwijs toe dat de ervaring van de fractie laag is.


Sommige oud-politici klagen wel eens dat de parlementaire ervaring sterk is afgenomen. Er is inderdaad sprake van een afname van de gemiddelde zittingsduur. De grafiek hierboven laat de gemiddelde zittingsduur van Tweede Kamerleden in de periode van 1950 tot 2010 zien. Bij elke verkiezing komen er weer veel nieuwe Kamerleden zonder ervaring binnen; vandaar zien wel sterke schommelingen door de tijd heen.

De ervaring van Kamerleden is door de tijd heen afgenomen. Kort voor de verkiezingen van 1956 was de gemiddelde ervaring bijna 10 jaar, kort voor de verkiezingen van 2006 was die ervaring nog geen 6 jaar. Opvallend is dat in de periode 1956-1980 al eerder sprake was van een afname van de gemiddelde ervaring (als je kijkt naar de ervaring net voor de verkiezingen, de pieken). In de jaren 1980 nam de gemiddelde ervaring juist weer toe: in die tijd bezetten de grote drie partijen nog het leeuwendeel van het aantal zetels en kiezersverschuivingen waren nog niet heel groot.. De verkiezingen van 1994 vormen weer een breekpunt. Niet alleen verloren CDA en PvdA toen sterk en wonnen D66 en de VVD aanzienlijk, ook de verliezende partijen hadden veel nieuwe kandidaten op hun lijsten. Dit zorgde voor de grootste afname van parlementaire ervaring in de naoorlogse periode. Sindsdien is er elke parlementaire periode een afname: de pieken (net voor de verkiezingen) en dalen (net na de verkiezingen) zijn lager.

De negatieve tendens lijkt in de huidige periode te stabiliseren: net voor de verkiezingen in 2006 was de gemiddelde ervaring minder dan 6 jaar, nu is die net iets hoger (terwijl de zittingsperiode iets korter was). Ook het dal na de verkiezingen is naar verwachting is lager. De rode stip geeft aan wat de gemiddelde parlementaire ervaring na de verkiezingen zal zijn als de laatste Politieke Barometer de uitslag correct zou voorspellen. Dit dal is iets minder diep dan in 2006. De vraag is wel hoeveel ervaring er nog verloren zal gaan als een nieuw kabinet wordt gevormd. De dip kan dus nog iets dieper worden, maar waarschijnlijk niet veel dieper dan tijdens de vorige periode.

De instroom van nieuwe Kamerleden is met name de laatste 20 jaar sterk toegenomen. Kwamen er in het verkiezingsjaar 1989 nog slechts 32 nieuwe mensen in de Kamer, in 2002 werden 78 nieuwe leden begroet. De instroom is in de periode sinds 1994 steeds meer dan 60 (uitgezonderd 2003); vóór 1990 gebeurde dat maar één keer eerder. In niet-verkiezingsjaren is het verloop niet zo groot: er komen dan telkens minder dan 10 nieuwe Kamerleden. Er wordt wel eens geklaagd dat politici hun periode niet afmaken: ze worden halverwege burgemeester of wethouder. Maar dat aantal is niet heel groot, en zeker niet groter dan voorheen.

De Tweede Kamer als geheel is dus minder ervaren dan 20 jaar geleden. De instroom van nieuwe leden is tijdens verkiezingen hoger dan voorheen. Dit beeld is sinds de verkiezingen van 1994 waar te nemen. Dit hangt niet alleen af van politici en partijen. Ook de grote kiezersverschuivingen zorgen er voor dat bij sommige partijen veel ervaring verloren gaat, terwijl bij andere partijen veel nieuwe Kamerleden moeten worden ingewerkt. Wie klaagt over de ervaring van parlementsleden kan daar dus zelf ook wat aan doen, bij de verkiezingen.

Voor de analyses van de zittingsduur van Kamerleden is dankbaar gebruik gemaakt van het bibliografisch archief van het Parlementair Documentatie Centrum.


donderdag 20 mei 2010

De CPB-ruimte: een grafische presentatie van de doorrekening

In de vandaag gepresenteerde CPB-doorrekening van de verkiezingsprogramma’s zit voor ieder wat wils. De VVD presenteert zich bijvoorbeeld als financieel solide, de SP met koopkrachtbehoud, GroenLinks als de milieupartij, D66 op onderwijs en het CDA als solide en solidair. Eigenlijk elke partij was wel tevreden met de doorrekening, behalve de PVV die het onterecht vond dat de ‘rode rekenmeesters’ veel van hun bezuinigingen als onhaalbaar had geweigerd. En in zekere zin klopt dat ook wel: de doorrekeningen geven weer welke keuzes partijen maken en tot welke uitkomsten dat leidt. Veel van die uitkomsten zijn niet erg verbazingwekkend: GroenLinks doet het goed op groen, de VVD op bezuinigen en de SP op banen in de zorg.

Eigenlijk zijn de doorrekeningen van het CPB redelijk goede indicatoren van de posities van partijen. Je kunt die gegevens dan ook gebruiken voor een grafisch model van partijposities. Dat model vat natuurlijk niet alle verschillen tussen partijen – moreel-ethische onderwerpen vinden bijvoorbeeld geen weerslag in de doorrekeningen – maar geeft wel een aardig inzicht van de keuzes van partijen op sociaal-economisch terrein (inclusief milieubeleid).

Voor het model hieronder maak ik gebruik van de overzichtstabel in het CPB-rapport (pagina 19), die met een principale componentenanalyse is geanalyseerd. Met deze techniek kun je onderzoeken in hoeverre de verschillende indicatoren met elkaar samenhangen, bijvoorbeeld dat de ontwikkeling van natuurkwaliteit en –kwantiteit met elkaar samenhangen. Met PCA kun je zogenaamde ‘onderliggende dimensies’ zoeken, in het geval van natuurkwaliteit/kwantiteit bijvoorbeeld investeringen in milieu. Daarnaast kun je de partijen in de ruimte plaatsen:

Laten we eerst kijken naar de positie van de partijen. Onderaan staan GroenLinks, de SP – en iets verder naar boven de PvdA. Deze partijen behouden of verbeteren bijvoorbeeld de koopkracht, bezuinigen tot 2015 nog relatief weinig, doen het allen relatief goed op milieubeleid en creëren welvaartswinst de woningmarkt. In het grijs staan de indicatoren afgedrukt: hoe dichter een partij bij een indicator staan, hoe hoger de score van die partij daarop. GroenLinks doet het dus bijvoorbeeld goed op het gebied van de natuurkwaliteit; de VVD boekt een grote verbetering van het EMU-saldo in 2015. De PvdA staat redelijk dicht in de buurt van een cluster van D66 en de drie christelijke partijen (CDA, SGP, CU). De programma’s van die partijen hebben allemaal redelijk vergelijkbare effecten, zeker als je ze afzet tegen VVD, PVV, SP en GroenLinks. De VVD staat helemaal bovenaan de figuur. Deze partij bezuinigt het sterkst in de komende kabinetsperiode, maar doet het bijvoorbeeld slechter op het gebied van milieu. Rechtsboven staat de PVV. Die partij komt in een aantal opzichten overeen met de VVD (niet milieubewust, autogebruik wordt niet teruggedrongen), maar in sommige zaken ook met de SP (weinig bezuinigingen op langere termijn, kleine huurstijging, meer personeel zorg).

In het model kun je eigenlijk twee onderliggende dimensies onderscheiden. Van boven naar beneden zijn partijen geordend volgens een klassiek economisch links-rechts patroon: GroenLinks-SP-PvdA-CCU-D66-SGP-CDA-PVV-VVD. Dat patroon is ook terug te zien in analyses van de politieke ruimtes van het Kieskompas en de StemWijzer. Horizontaal is een ander patroon te zien, namelijk een verschil tussen partijen die bereid zijn te hervormen en de partijen die dat niet zijn (m.n. PVV en SP). Dat leidt er bijvoorbeeld toe dat alle partijen de ‘houdbaarheid’ van de staatsfinanciën met zo’n 30 tot 40 miljard verbeteren, maar SP en PVV slechts met 16 à 17 miljard.

Partijen zijn in te delen in vier ‘typen’ op basis van hun sociaal-economische profielen. Er zijn linkse hervormers (GroenLinks en PvdA, in mindere mate D66), die bereid zijn de sociale zekerheid te hervormen, maar wel met oog voor lagere inkomens en het milieu. De linkse conservatieven van de SP hebben ook oog voor milieu en lagere inkomens, maar zijn veel minder bereid tot verregaande hervormingen. De rechtse conservatieven van de PVV willen ook die hervormingen niet, maar dan in het belang van de gewone man met een auto voor de deur. Ten slotte zijn er de rechtse hervormers van VVD, CDA en SGP. Zij willen snijden in de sociale zekerheid om de staatsfinanciën snel op orde te krijgen. Daarin gaat de VVD overigens wel duidelijk het verste. De ChristenUnie staat dermate in het midden dat ze eigenlijk in geen van de vier blokken is in te delen.

Op basis van de sociaal-economische verschillen tussen de partijen, lijkt een middencoalitie het meest haalbare. D66, SGP, CDA, ChristenUnie en PvdA staan relatief dicht bij elkaar. Of deze partijen het op andere onderwerpen ook eens kunnen worden is echter de vraag. D66 zal waarschijnlijk ook niet veel zin hebben om de oude coalitie van CDA, PvdA en ChristenUnie opnieuw aan een meerderheid te helpen. In dat geval komt één van de andere vier partijen in beeld. Zowel een linkse (PvdA/GL/SP/D66) als rechtse (VVD/CDA/PVV) coalitie stuit daarbij op het bezwaar dat één van de partijen niet echt hervormingsgezind is. Het alternatief van Paars+ (PvdA/VVD/D66/GL) is wel bereid tot hervormingen, maar is het weer sterk oneens over de richting, met name GroenLinks en de VVD. Dat wordt dus nog een lastige formatie.